Groningen, dagje eruit, want zo'n kaart van de ns voor arme door hoge olieprijzen geteisterde mensen voor 49 Euro, en oppassen voor de automatische verlenging want dan alsnog de sjaak en daar zijn ook kamervragen over gesteld en we krijgen een herinneringsmail maar alsnog zullen er veel mensen niet op reageren en dan een maand te veel en te duur er aan vast zitten waardoor de deal per saldo negatief uitpakt en sowieso al de vraag of je er goed aan doet want misschien was je wel thuis gebleven en dan had je helemaal geen kosten gemaakt en ook is het vreemd dat iedereen in aanmerking komt zelfs als je geld zat hebt en geen probleem met de energieprijzen hebt waarbij ik me ook afvraag gezien de reclame-inspanningen van de ns of ze wel zoveel korting geven en dan nog kwam ik er later pas achter dat voor een 65plusser de tarieven sowieso al lager zijn en ik daar helemaal geen weet van had maar nu dus door al die heisa toch een kaart heb gekocht van 49 Euro.

Samenvattend een dagje Groningen en we kwamen uit in het enorme gebouw Forum en dat was indrukwekkend. In de bieb (mag je dat nog zo noemen, het is een verzamelgebouw waar je ook af en toe boeken tegenkomt. En zo zag ik daar het boek liggen met de verleidelijke titel 'Lui worden' van Henk van der Waal. Waarom verleidelijk? Omdat ook ik worstel met de vraag hoe ik zonder schuldgevoel minder moet doen van mezelf, lui kan worden en me toch goed voelen. Snel door dat boek gebladerd en wat schetst mijn verbazing? Dit is helemaal geen boek dat je snel in to do taal antwoorden geeft op die prangende vraag. Het is een filosofisch-achtig boek waarin de hoofdpersoon met zichzelf in gesprek gaat en met zijn vriend en er zijn wat mensen omheen die een rol spelen, maar vooral dialogen intern en extern. Het gaat over wat abstracte en complexe vraagstukken en kijk vooral even naar de literatuurlijst achterin waar je namen ziet van Ahrend, Marx, Derrida, Mill, kortom geen dagelijkse kost. Een boek dat niet geschikt is voor luie mensen, sommigen zouden zeggen nodeloos ingewikkeld en uitgesponnen en langdradig en niet to the point.

En dat heeft ook wel wat, die spanning en tegenstrijdigheid. Ik heb nog even een snelle test gedaan met mijn buur en gevraagd wat ze van het boek vond en precies zo ging het. Goh, wat interessant die titel, wil ik wel lezen en dan na het openslaan goh nee dat is niet echt iets voor mij. Prachtig dacht ik daarr wil ik wel iets mee. Het doet me ook denken aan Zen en de kunst van het motoronderhoud van Pirsig maar toen was moeilijkdoen nog in de mode en hippig. Ik wil deze schrijfstijl eens analyseren en er dan in diezelfde stijl mijn laatste blog in hervertellen. Want die was ook weer nodeloos opsommerig en met lijstjes geworden, dus een frisse wind en experiment.

Daar gaan we dan. Oja, waar ging die blog over? Ondernemers en mensen in het algemeen die bijna monomaan hun leven aan iets kunnen besteden en wat dan hun drive is. Ik denk aan veel ondernemers maar ook aan kunstenaars en uitvinders. En aan hobbyisten maar die laat ik er even buiten. Ik wilde Musk behandelen als een uitzondering omdat hij een missie heeft die afwijkt. Kortom, het werd te complex en filosofisch en dus komt dit boek van deze meneer met zijn lui worden als geroepen. Excuus aan de auteur voor dit schaamteloze misbruik van zijn initiatief!

Niet alleen de voorkant belooft veel, de achterkant laat je in die waan. Het lijkt hier te gaan om een populair en komisch management-achtig boekje met een pleidooi voor meer luiheid, het dagelijkse leven met de opgeklopte drukte ontvluchten, lekker je eigen ding doen, de regie weer in handen nemen. Met veel tips en to-do lijstjes om mee aan de slag te gaan. NOT. Het is filosofie old skool en meanderend en peinzend in dialogen zoals we vroeger hadden in bijvoorbeeld Zen en de kunst van het motoronderhoud. Ik vind het wel geinig, maar de meeste mensen die ik ken haken al naar 2 alinea's af. Die mensen zijn al lui geworden!

Hier een willekeurige plek in het boek. Zo krijg je een beeld van de toon en inhoud. Waar zijn de bolletjes en lijstjes? Helemaal nergens, want zo gaat het maar door. Complexe onderwerpen die quasi-nonchalant in dialogen (auteur zelf in zijn hoofd, en met een vaste vriend) worden uitgesponnen. Ik persoonlijk vind het wel leuk, moe geworden van al die management bullshit, maar is hier nog een markt voor? Hoe dan ook: ik wil de stijl graag analyseren en er for fun mijn laatste blog ingieten. En dat is gelukt! 10.000 woorden en een very long read is het geworden!!


Analyseer deze schrijfstijl. Soort van fictieve dialoog met zijn vriend en zichzelf. Ondertussen komen grotere themaas losjes langs. Als je dat helder hebt, zou ik als tweede stap graag de hele discussie over ondernemen en drives en over de extractie en uitsluiting in zo'n vorm willen gieten. Het is veel dus in 5 delen of zo


Ja, ik heb de stijl helder. Dit is inderdaad een fictieve, essayistische dialoog waarin de verteller, zijn vriend Thaddeus en een groep jongeren fungeren als toneelspelers voor een groter ideeënonderzoek. Het is geen gewone romanpassage, maar ook geen droog essay. Het zit precies ertussenin.

Wat deze schrijfstijl doet

De tekst gebruikt een gesprekssituatie als motor. Er is een ik-verteller, er is een vriend die redeneert, er zijn toehoorders, en er is lichte spanning: wie begrijpt het, wie haakt af, wie wordt geraakt, wie ergert zich? Daardoor blijven abstracte thema’s — geld, natuurtoestand, winstmaximalisatie, kapitalisme, bezit, midden, moraal — verbonden met mensen in een ruimte. Dat is belangrijk: de ideeën worden niet als schema gepresenteerd, maar als iets dat in een gesprek gebeurt. De verteller denkt ondertussen mee, twijfelt, ergert zich soms, bewondert soms, corrigeert innerlijk, kijkt naar gezichten, leest reacties. Daardoor ontstaat een dubbele laag:

  1. Wat Thaddeus zegt: de grote analyse.
  2. Wat de ik-figuur waarneemt: hoe die analyse landt bij mensen.

Dat maakt het levendiger dan een betoog.

De basisvorm

De vorm is ongeveer:

Iemand zegt iets prikkelends.
De verteller reageert innerlijk.
Een ander werpt tegen.
Het gesprek schuift op.
Een groot thema komt los.
De verteller relativeert of twijfelt.
Daarna wordt het thema opnieuw groter getrokken.

Dat kun je heel goed gebruiken voor jouw onderwerp over ondernemen, drives, extractie en uitsluiting.

Kenmerken van de stijl

1. De dialoog is niet realistisch, maar denkend

Mensen praten hier niet zoals in een café. Ze spreken lange, geconstrueerde zinnen. Dat is niet erg, want de dialoog is eigenlijk een denktoneel. De personages vertegenwoordigen posities, stemmingen en bezwaren. Thaddeus is de denker/redeneerder. De ik-figuur is de twijfelende waarnemer. De jongeren zijn het publiek, de toekomst, de ontvankelijkheid of juist weerstand. Voor jouw stuk kunnen die rollen zo worden:

  • Ik: de blogger die terugdenkt aan zijn fascinatie voor monomane lieden.
  • De vriend: degene die scherper formuleert dan jij eigenlijk aandurft.
  • Een jonge toehoorder: iemand die Musk, Thiel of ondernemerschap vanuit nu bekijkt.
  • Een ondernemerstype: eventueel als casus of herinnering.
  • De lezer: impliciet aanwezig via vragen en bezwaren.

2. De tekst beweegt van concreet naar abstract

De passage begint niet meteen met “de economie is…”. Eerst is er een situatie, een gesprek, een gezichtsuitdrukking, een lichte irritatie. Daarna pas komen begrippen als bio-economie, homo economicus, winstmaximalisatie, bezitters en bezitlozen. Dat is voor jouw onderwerp heel bruikbaar. Begin dus niet met: Er zijn zes ondernemersdrives. Maar bijvoorbeeld met: Ik heb altijd een zwak gehad voor mensen die te veel van één ding houden. Of: Mijn vriend keek me aan alsof ik zojuist een oude jeugdliefde had verdedigd: de monomane ondernemer. Daarna kun je langzaam naar Musk, Disney, Thiel en de roofridderlijn.

3. Er zit ironie in, maar geen platte spot

De verteller kijkt soms kritisch naar de spreker en naar de toehoorders. Hij ziet verveling, ijdelheid, jonge bravoure, quasi-diepzinnigheid. Maar hij blijft betrokken. Dat past bij jouw toon. Je kunt de VVD-bitterballen, de yacht, de businessclub en de “we creëren banen”-taal ironisch neerzetten zonder dat het cabaret wordt. Bijvoorbeeld:

‘Dat is dan de ondernemer als kunstenaar?’ vroeg ik.
‘Soms,’ zei hij. ‘Maar soms is het ook gewoon iemand die zijn eigen naam graag op een sponsorbord ziet staan, bij voorkeur naast de bitterballen.’

4. Grote begrippen worden via omwegen geïntroduceerd

In de foto’s zie je begrippen als homo economicus, winstmaximalisatie, bio-economie, bezitters/bezitlozen. Maar ze komen niet als definities. Ze komen voort uit een redenering. Voor jouw stuk betekent dat: de termen extractie, uitsluiting, fluïde bandiet, Rand-vallei, platform, elitecuratie moeten niet allemaal tegelijk in de eerste alinea. Ze moeten als vondsten in het gesprek ontstaan.

5. De verteller is niet alwetend

Dat is belangrijk. De ik-figuur zegt niet: “zo zit het.” Hij observeert hoe zijn vriend denkt, merkt wanneer hij zelf verrast is, wantrouwt te mooie redeneringen, ziet risico’s. Dat maakt de tekst betrouwbaarder. Zeker bij onderwerpen als Thiel, Bilderberg, Dialog, Rand en elitevorming moet je die toon bewaren. Niet complotzeker, maar onderzoekend: Ik wilde hem onderbreken, omdat het me te groot werd. Te netjes ook. Alsof alle roofridders door de geschiedenis heen op een schema hadden gewacht. Maar tegelijk voelde ik dat hij iets raakte.

Dat is precies de juiste toon.

Hoe we jouw discussie in deze vorm kunnen gieten

Ik zou het inderdaad in vijf delen doen. Niet vijf losse essays, maar vijf scènes of gespreksrondes. Elk deel eindigt met een verschuiving.

Vijfdelige opzet

Deel 1 — De monomaan

Thema: kunstenaar, uitvinder, ondernemer.

Start bij jouw oude fascinatie: mensen met grote ego’s, vreemde energie, bijna kinderachtige koppigheid. Mensen die hun leven vernauwen tot één werk, één bedrijf, één machine, één universum. Hier komen kunstenaars, uitvinders, Disney en de vroege ondernemer langs. Kernvraag: Is monomanie een gebrek aan wijsheid, of juist de voorwaarde voor schepping? Mogelijke slotzin: ‘Misschien,’ zei mijn vriend, ‘is beschaving voor een deel gebouwd door mensen die persoonlijk helemaal niet zo beschaafd waren.’

Deel 2 — De drives

Thema: geld is te grof als verklaring. Hier laat je de vriend onderscheid maken tussen maken, winnen, status, missie, bezit en spel. De ik-figuur twijfelt: is dat niet te psychologisch? De vriend zegt: nee, want zonder drives begrijp je niet waarom iemand zijn leven opgeeft aan iets wat hem niet gelukkig maakt. Hier komen de VVD-yacht, bitterballen, businessclubs, statusondernemers en “wij creëren banen” langs. Kernvraag: Wat wil de ondernemer eigenlijk wanneer hij zegt dat hij onderneemt? Mogelijke slotzin: ‘Geld,’ zei hij, ‘is zelden het antwoord. Geld is meestal de taal waarin een ander verlangen zich verstaanbaar maakt.’

Deel 3 — Wanneer de drive schaal krijgt

Thema: van persoon naar systeem. Hier verschuift het gesprek. De kunstenaar kan lastig zijn, de lokale ondernemer ijdel, maar zodra kapitaal, arbeid, technologie en staat erbij komen, verandert de monomanie in systeemmacht. Hier komen familiebedrijven, fabrieken, concerns en ecosystemen. Kernvraag: Wanneer wordt een persoonlijke obsessie een maatschappelijke structuur? Mogelijke slotzin: ‘De fabriek,’ zei mijn vriend, ‘was misschien de eerste plaats waar iemands drive het dagritme van duizenden anderen werd.’

Deel 4 — Van extractie naar uitsluiting

Thema: roofridderlijn. Hier komt jouw sterkste historische beweging: rovende bandiet → stationaire bandiet → industrieel → fluïde bandiet → enclave / Rand-vallei. De massa verandert van buit naar onderdaan, van arbeider naar consument, van dataproducent naar lastpost. De ik-figuur schrikt van die formulering en probeert haar te verzachten. De vriend nuanceert: het is geen plan, maar een mogelijkheid die technisch en economisch voorstelbaar wordt. Kernvraag: Wat gebeurt er wanneer de elite de massa niet langer nodig denkt te hebben? Mogelijke slotzin: ‘Eerst moesten ze ons uitbuiten,’ zei hij. ‘Daarna moesten ze ons laten klikken. De volgende vraag is of ze ons nog willen tegenkomen.’

Deel 5 — Wereldbouwers: Disney, Musk, Thiel

Thema: drie vormen van monomane wereldbouw. Disney bouwt een gecontroleerde droomwereld voor de massa.
Musk bouwt een technische ark voor de soort. Thiel bouwt tafels, netwerken en spelregels voor de geselecteerden. Hier kun je eindigen met het onderscheid tussen maken, missie en curatie. Kernvraag: Wie krijgt toegang tot de wereld die de monomaan bouwt? Mogelijke slotzin: De maker vraagt wat er nog niet bestaat. De ondernemer vraagt hoe het kan groeien. De speler vraagt wie er toegang krijgt. En misschien begint daar, ergens tussen Disney’s park, Musks raket en Thiels besloten tafel, het probleem van onze tijd.

Proef in dezelfde toon

‘Je hebt altijd een zwak gehad voor monomanen,’ zei mijn vriend, terwijl hij zijn glas optilde zonder te drinken.

Ik wilde protesteren, maar hij had gelijk. Niet voor alle monomanen natuurlijk, en zeker niet voor de soort die zijn gelijk met geweld of uniformen kracht bijzet. Die wilde ik juist buiten beschouwing laten. Maar wel voor de zonderlingen die hun leven inruilen voor één ding: een boek, een bedrijf, een raket, een muis met witte handschoenen, een machine die nog niemand nodig dacht te hebben.

‘Dat zijn nogal verschillende mensen,’ zei ik.

‘Alleen aan de buitenkant,’ antwoordde hij. ‘De kunstenaar, de uitvinder en de ondernemer zijn familie van elkaar. Ze kunnen niet goed leven in de wereld zoals die is. Dus maken ze er een tweede wereld naast.’

Dat klonk me te mooi in de oren. Mijn vriend had de neiging om met één zin drie eeuwen menselijke rommel op te ruimen. Toch voelde ik dat hij iets raakte. De schilder die zijn gezin verwaarloost voor een doek, de uitvinder die jaren aan een apparaat sleutelt waar niemand op wacht, de ondernemer die zijn gezondheid sloopt voor een bedrijf dat hem uiteindelijk niet gelukkiger maakt — ze lijken meer op elkaar dan ze zelf zouden toegeven.

Dat is volgens mij de toon die je zoekt: vertellend, denkend, licht ironisch, met ruimte voor grotere thema’s zonder meteen academisch te worden.

Belangrijkste stijlregel voor de uitwerking

De tabellen en schema’s moeten onder de motorkap blijven. Ze helpen ons de vijf delen bouwen, maar in de tekst zelf laat je ze verschijnen als gesprek, observatie en herformulering. Dus niet: Er zijn zes typen ondernemersdrives. Maar: ‘Je noemt alles geld,’ zei hij. ‘Omdat geld telbaar is. Maar wat je telt, is zelden wat iemand drijft.’ Daarna kunnen de types één voor één langskomen, zonder dat het schools wordt.