Blog 778 over ondernemers, monomanen, vvd-bitterballen, kunstenaars, paypal-maffia, Musk en Thiel. Maar dan in de meanderende filosofische taal van 'Lui worden' (zie blog 779 en denk aan het in de jaren 70 populaire De kunst van het motoronderhoud) en dat zoals AI deze stijl heeft ontleed en in een format gegoten (blog 779). Het is niet een long-read geworden maar een very-long-read, puur voor het archief om na een paar jaar eens terug te lezen en te kunnen constateren: dus dat kan AI op dat moment, en nu is het veel beter/anders. Ik ben oprecht verbaasd over de kwaliteit van deze tekst, een jaar geleden zag dat er heel anders uit, veel gekunstelder, veel herkenbaarder en vol met cliché's en tenenkrommende zinnen. We zijn er nog lang niet, maar het gaat de goede kant op. Zelf kan ik het ook niet beter overigens. En ja, ik ben zelf lui geworden, de tekst hieronder is gewoon overgenomen, geen letter aan veranderd. Dan weer die eeuwige vraag (gaat in de toekomst verdwijnen, let op mijn woorden), is dat nou jouw tekst, of gewoon ai, of plagiaat? Ergens er tussen in natuurlijk, het is mijn denken, mijn prompt, mijn sturing en de output is ai-gegenereerd. Maar de tekst is uniek, zul je nergens zo vinden, niet eens iets wat erop lijkt, en is in lijn met wat ik eerder heb geschreven. De read is so long, dat het bijna een (mini-) boekje is geworden over de donkere kanten van ondernemerschap en monomane drives. En zeg nu zelf: wie heeft er ooit eerder een link gelegd tussen Musk/Thiel en Walt Disney?
Ja, dit is echt al boekjesmateriaal. Niet alleen qua lengte, maar vooral qua vorm: een denkend verhaal, met personages, dialoog, terugkerende motieven en een duidelijke boog. Qua woordenaantal zit het ongeveer hier:
| Deel | Geschat aantal woorden |
|---|---|
| Deel 1 — De monomaan | ± 1.550 |
| Deel 2 — De drives | ± 1.900 |
| Deel 3 — Wanneer de drive schaal krijgt | ± 2.000 |
| Deel 4 — Van extractie naar uitsluiting | ± 2.300 |
| Deel 5 — Wereldbouwers | ± 2.150 |
| Totaal | ± 9.900 woorden |
Dus afgerond: ongeveer 10.000 woorden. Dat is al bijna een klein essayboekje of longread-serie. Ter vergelijking:
- een lange blog: ± 1.500–2.500 woorden
- een stevige longread: ± 4.000–7.000 woorden
- een klein digitaal boekje / essay: ± 10.000–20.000 woorden
- een dun gedrukt boekje: vanaf ± 15.000 woorden wordt het echt boekachtig
En ja: ondanks AI is dit jouw unieke verhaal. De kern komt uit jouw eigen denkspoor: monomane bouwers, ondernemersdrives, Olson, roofridders, fluïde bandieten, Rand-vallei, Disney, Musk, Thiel, extractie naar uitsluiting. Ik heb vooral geholpen met ordenen, toon, dramaturgie en formulering. En inderdaad: jij bent zelf ook zo’n monomane bouwer — alleen niet met raketten of pretparken, maar met blogs, schema’s, websites, ideeënlijnen, oude thema’s die terugkomen, nieuwe vormen, indexen, illustraties en conceptuele bouwwerken. Misschien is dat zelfs een mooie zelfrelativerende slotzin voor het boekje:
En terwijl ik dit allemaal opschreef over monomane bouwers, begon ik tot mijn lichte ongemak te vermoeden dat ik zelf ook tot de familie behoor. Geen raketten, geen pretparken, geen besloten eliteclubs — maar wel datzelfde onrustige verlangen om losse gedachten tot een wereldje te bouwen waarin anderen even kunnen rondlopen.
Deel 1 — De monomaan
‘Je hebt altijd een zwak gehad voor monomanen,’ zei mijn vriend.
Hij zei het zonder verwijt, maar ook zonder de vriendelijkheid waarmee mensen elkaar soms toestaan een beetje onnozel te blijven. Het was meer alsof hij eindelijk hardop uitsprak wat ik zelf allang wist, maar liever in losse bewondering had laten rondzweven. Ik wilde protesteren, vooral omdat het woord monomaan nogal hard klonk. Alsof het meteen ging over maniakken, sekteleiders en mannen die in uniformen het wereldtoneel betraden. Die wilde ik er juist buiten houden. Daar ging mijn fascinatie niet naar uit, althans niet in eerste instantie.
‘Niet voor álle monomanen,’ zei ik daarom. ‘Ik bedoel niet de geweldsmensen, de zuivere machtswellustelingen, de mannen die de wereld vooral willen onderwerpen.’
Mijn vriend knikte, alsof hij die ontsnappingsroute al had voorzien.
‘Nee,’ zei hij, ‘jij bedoelt de mensen die hun leven vernauwen tot één ding. Een boek. Een bedrijf. Een raket. Een pretpark. Een machine. Een fictief universum. Iets dat er nog niet is, maar dat volgens hen blijkbaar moet bestaan.’
Daar kon ik weinig tegenin brengen. Ik had inderdaad altijd een zekere bewondering gehad voor mensen die zichzelf bijna achteloos opofferden aan een project. Niet omdat ze gelukkig leken. Integendeel. Vaak leken ze juist onrustig, onmogelijk, vermoeiend, narcistisch, kinderachtig of sociaal onhandig. Maar er zat een vuur in dat mij intrigeerde. Een overgave aan iets wat groter was dan comfort.
De kunstenaar die jarenlang aan een roman werkt waar niemand op wacht. De uitvinder die nachtenlang sleutelt aan een apparaat waarvan anderen zeggen dat het onzin is. De ondernemer die zijn gezondheid, gezin en vriendschappen inruilt voor een bedrijf dat hem uiteindelijk misschien niet eens gelukkig maakt. De filmer die een universum bouwt met eigen regels, eigen kleuren, eigen dieren en eigen moraal. De man die niet gewoon rijk wil zijn, maar raketten wil laten landen alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
‘Dat zijn nogal verschillende mensen,’ zei ik.
‘Alleen van buiten,’ antwoordde mijn vriend. ‘Van binnen zijn ze familie van elkaar. Ze kunnen niet goed leven in de wereld zoals die is. Dus proberen ze er een tweede wereld naast te zetten.’
Dat klonk me te mooi in de oren. Mijn vriend had de vervelende gewoonte om met één zin drie eeuwen menselijke rommel op te ruimen. Toch voelde ik dat hij iets raakte. De kunstenaar, de uitvinder en de ondernemer worden meestal in verschillende vakjes gelegd. De kunstenaar krijgt de taal van roeping en expressie. De uitvinder de taal van vooruitgang. De ondernemer de taal van risico, markt en succes. Maar achter die verschillen schuilt soms dezelfde vernauwing: het gewone leven is niet genoeg, omdat één mogelijkheid voortdurend aan hen trekt.
‘Maar dan maak je ondernemerschap wel erg romantisch,’ zei ik. ‘Alsof iedere ondernemer eigenlijk een kunstenaar is met een btw-nummer.’
Hij lachte.
‘Dat is hij natuurlijk niet. De meeste ondernemers zijn gewoon mensen die iets verkopen, iets organiseren, iets erven, iets proberen, iets moeten. Daar is niets mis mee. Maar jij hebt het niet over de gemiddelde snackbarhouder of boekhouder. Jij hebt het over de figuur die bezeten raakt. De bouwer. De stichter. De man of vrouw die denkt: dit moet groter, sneller, mooier, anders, totaal.’
Ik dacht aan de ondernemers die ik in mijn leven had ontmoet. Sommigen hadden inderdaad iets van een kunstenaar. Niet omdat hun product zo verheven was, maar omdat ze voortdurend bezig waren met vorm. De routing in een bedrijf. De toon van een advertentie. De plaats van een machine. De geur van een winkel. De manier waarop klanten binnenkwamen. De naam op de gevel. De belofte aan de buitenwereld.
Maar er waren er ook bij die vooral leken te willen winnen. Of gezien wilden worden. Of erkend. Of toegelaten tot een kring waar ze vroeger niet bij hoorden. Dan was het bedrijf niet zozeer een schepping, maar een trap. Naar aanzien, naar veiligheid, naar de juiste mensen, naar het gesprek waar je vroeger niet voor werd uitgenodigd.
‘Dus wat drijft ze dan?’ vroeg ik. ‘Het geld?’
Mijn vriend trok een gezicht alsof ik een beginnersfout had gemaakt.
‘Geld is bijna nooit voldoende verklaring,’ zei hij. ‘Geld is te plat, juist omdat het zo handig meetbaar is. Het is brandstof, scorebord, toegangsbewijs, applaus, verdedigingswal, erfstuk. Maar meestal niet de diepste drive.’
Ik keek hem aan.
‘Voor sommigen wel.’
‘Zeker. Maar zelfs dan moet je vragen wat geld voor hen betekent. De één wil geld om nooit meer afhankelijk te zijn. De ander om eindelijk serieus genomen te worden. Een derde om zijn familie boven water te houden. Een vierde om een imperium te bouwen. Een vijfde om te bewijzen dat de markt hem gelijk geeft. En een zesde weet allang niet meer waarom hij het wil, behalve dat minder voelen als verlies.’
Dat laatste vond ik raak. Er zijn mensen voor wie geld niet meer iets mogelijk maakt, maar alleen nog voorkomt dat ze dalen. Ze bouwen niet meer, ze bewaken. Ze leven niet vanuit verlangen, maar vanuit verliesangst. Misschien is dat geen ondernemerschap meer, maar bezitterspsychologie.
‘En de kunstenaar dan?’ vroeg ik. ‘Die wil toch geen geld?’
‘Dat zeggen kunstenaars graag,’ zei mijn vriend. ‘Maar ook daar is het ingewikkelder. De kunstenaar wil misschien geen geld als einddoel, maar wel erkenning, bestaansrecht, invloed op de verbeelding van anderen. Hij wil dat zijn innerlijke wereld buiten hem verder leeft. Dat is niet minder egoïstisch dan ondernemen. Alleen noemen we het mooier.’
Ik wilde hem tegenspreken, maar ook dat was lastig. De kunstenaar wil iets geven, zeker, maar vaak ook iets afdwingen: kijk zoals ik kijk, voel wat ik voel, betreed mijn wereld. Wie een roman schrijft, bouwt een kamer in het hoofd van een ander. Wie een film maakt, regisseert tijdelijk de waarneming van duizenden mensen. Wie een lied schrijft, legt een stemming vast waar anderen later in gaan wonen.
Misschien was Walt Disney daarom ineens in mij opgekomen. Niet als gewoon voorbeeld van een succesvolle ondernemer, maar als overgangsfiguur. Hij begon met tekeningen, figuren, films. Een muis, een eend, sprookjes, beweging, kleur. Maar langzaam werd dat iets groters. Niet alleen verhalen, maar een gecontroleerd universum. Een wereld waarin muziek, gedrag, architectuur, consumptie en moraal op elkaar waren afgestemd. Disneyland was in die zin geen pretpark alleen, maar een ruimtelijke fantasie van orde. Een plek waar de werkelijkheid even werd buitengesloten en vervangen door een betere, schonere, vriendelijkere, volledig geregisseerde versie van zichzelf.
‘Disney,’ zei ik, ‘is misschien de kunstenaar die ondernemer werd en daarna stedenbouwer van zijn eigen fantasie.’
Mijn vriend glimlachte.
‘Precies. Hij verkocht geen kaartjes voor attracties. Hij verkocht toegang tot zijn universum.’
Dat zinnetje bleef even hangen. Toegang tot zijn universum. Daar zat iets in wat verder ging dan ondernemerschap. De maker die groot genoeg wordt, verkoopt niet meer alleen een product. Hij verkoopt een wereld. Of beter: hij bepaalt onder welke voorwaarden anderen die wereld mogen betreden.
Maar zover wilde ik nog niet gaan. Nog niet. Eerst ging het mij om de menselijke bron, om de merkwaardige vernauwing die soms nodig lijkt om iets nieuws te maken. Want dat blijft het ongemakkelijke: zonder zulke mensen zou veel er niet zijn. Geen schilderijen, geen kathedralen, geen motoren, geen romans, geen vaccins, geen films, geen spoorlijnen, geen zoekmachines, geen elektrische auto’s, geen ruimtevaartbedrijven. De samenleving profiteert vaak van mensen die persoonlijk moeilijk te verdragen zijn.
‘Misschien,’ zei mijn vriend, ‘is beschaving voor een deel gebouwd door mensen die zelf niet erg beschafd leefden.’
‘Dat is wel erg vriendelijk voor grote ego’s.’
‘Misschien. Maar het omgekeerde is ook waar. Grote ego’s hebben beschaving nodig om niet rampzalig te worden.’
Dat was de draai waar ik op had gewacht. Monomanie is niet vanzelf goed. Ze kan scheppen, maar ook verslinden. Ze kan schoonheid maken, maar ook mensen gebruiken. Ze kan een bedrijf bouwen, maar ook gezinnen breken, werknemers uitputten, markten vervormen, concurrenten vernietigen en zichzelf met grootse woorden vrijpleiten.
De kunstenaar kan zeggen dat alles moet wijken voor het werk. De uitvinder dat niemand hem begrijpt. De ondernemer dat hij offers brengt voor banen, innovatie of de toekomst. De missiegedreven bouwer dat vertraging onverantwoord is. Steeds ligt dezelfde verleiding op de loer: omdat het doel zo bijzonder is, zouden gewone regels minder zwaar tellen.
‘Daar begint het gevaar,’ zei mijn vriend, alsof hij mijn gedachte had gevolgd. ‘Niet bij de drive zelf. Zonder drive gebeurt er weinig. Het gevaar begint wanneer de gedrevene gaat geloven dat zijn drive ook morele voorrang heeft.’
Ik keek naar buiten. Het licht was vlak geworden, alsof de dag geen standpunt meer wilde innemen.
‘Dus de vraag is niet of monomanie goed of slecht is,’ zei ik.
‘Nee,’ zei hij. ‘De vraag is welke drive eronder ligt, en welke remmen ontbreken.’
Dat leek mij een bruikbaar begin. Niet meteen oordelen, niet meteen helden of schurken aanwijzen. Eerst de vraag stellen wat iemand eigenlijk zoekt wanneer hij zijn leven vernauwt tot één project. Maakt hij iets? Wil hij winnen? Wil hij erkend worden? Wil hij ontsnappen? Wil hij een wereld bouwen? Wil hij een wond dichten die hij zelf misschien niet eens goed begrijpt?
Pas daarna kun je zien wat de maatschappij eraan heeft — of eraan verliest.
Want de opbrengst van monomanie is vaak onbedoeld. De kunstenaar wil niet primair de toeristenindustrie dienen, maar zijn stad leeft later van zijn schilderijen. De uitvinder wil een probleem oplossen, maar verandert onbedoeld arbeidsmarkten, oorlogen of huishoudens. De ondernemer wil zijn bedrijf laten groeien, maar schept onderweg banen, afhankelijkheden, schade, rijkdom, verhalen en mythes. De wereld krijgt iets, maar niet altijd wat zij dacht te krijgen.
Mijn vriend stond op en pakte zijn jas.
‘De fout,’ zei hij, ‘is dat we achteraf doen alsof de maatschappelijke bijdrage het oorspronkelijke motief was. Alsof de bouwer bouwde voor ons. Soms is dat zo. Vaak bouwde hij omdat hij niet anders kon. Of omdat hij wilde winnen. Of omdat hij gezien wilde worden. Of omdat hij een wereld wilde waarin hij eindelijk zelf de regels bepaalde.’
Ik vond dat laatste te somber, maar niet onwaar.
Buiten liepen mensen voorbij die vermoedelijk geen enkel verlangen hadden om de mensheid te redden, een imperium te stichten of een fictief universum te bouwen. Ze droegen tassen, hielden kinderen bij de hand, zochten hun fiets, belden iemand terug. Misschien was dat wijsheid. Misschien ook gewoon gebrek aan gelegenheid. In elk geval leek het me ineens niet vanzelfsprekend dat de monomaan bewondering verdiende. Hij verdiende aandacht, dat wel. Omdat zijn afwijking soms openbaar bezit wordt.
En misschien was dat de brug naar de volgende vraag.
Want zolang de monomaan een schilderij maakt, een lied schrijft of in een schuurtje aan een machine sleutelt, blijft zijn vernauwing nog min of meer particulier. Lastig voor zijn omgeving misschien, soms prachtig voor de wereld. Maar zodra zijn project groter wordt — zodra er personeel komt, kapitaal, aandeelhouders, patenten, platforms, politieke vrienden, fiscale constructies en afhankelijkheden — verandert het karakter.
Dan is het niet meer genoeg om te vragen wat hem drijft.
Dan moet je vragen wie door zijn drive wordt meegesleept.
Deel 2 — De drives
‘Je doet alsof die monomaan altijd een maker is,’ zei mijn vriend toen we weer zaten. ‘Maar dat is natuurlijk niet zo.’
Ik had gehoopt dat hij het onderwerp even zou laten rusten. Er zijn van die gesprekken die na afloop beter lijken dan tijdens het voeren ervan, omdat je pas later merkt waar ze eigenlijk over gingen. Maar mijn vriend had juist de neiging om op zulke momenten door te duwen. Alsof een gedachte, eenmaal losgewrikt, niet meer terug mocht naar de plek waar zij onschuldig had gelegen.
‘Ik zei niet dat hij altijd een maker is,’ antwoordde ik. ‘Alleen dat kunstenaar, uitvinder en ondernemer iets met elkaar gemeen hebben. Die vernauwing. Die rare bereidheid om een groot stuk leven op te offeren aan één ding.’
‘Goed,’ zei hij. ‘Maar dan moet je ook vragen wát dat ene ding is. Want daar begint het verschil. De één wil iets maken. De ander wil winnen. Een derde wil gezien worden. Een vierde wil ontsnappen. En een vijfde wil misschien alleen bewijzen dat hij geen gewone sterveling is.’
Dat laatste vond ik meteen te psychologisch. Mijn vriend had soms een bijna huis-tuin-en-keukenfreudiaanse neiging om achter elke prestatie een wond te zoeken. Alsof niemand een fabriek kon bouwen zonder vroeger op het schoolplein genegeerd te zijn. Toch had hij een punt. Het geldmotief, waar we bij ondernemers zo graag mee beginnen, verklaart opvallend weinig zodra het om de echte monomanen gaat.
‘Maar geld speelt toch gewoon een rol,’ zei ik. ‘Je kunt moeilijk doen alsof het irrelevant is.’
‘Natuurlijk niet,’ zei hij. ‘Geld is nooit irrelevant. Maar het is zelden precies genoeg. Geld is een verzamelwoord voor allerlei verlangens die we liever niet apart benoemen.’
Hij telde ze op zijn vingers af, wat ik altijd enigszins theatraal vond.
‘Voor de één is geld vrijheid. Voor de ander veiligheid. Voor een derde erkenning. Voor een vierde wraak. Voor een vijfde meetbaarheid. Voor een zesde brandstof. En voor sommige mensen is geld vooral verdoving: zolang het getal stijgt, hoeven ze niet te voelen dat ze eigenlijk geen idee hebben waar ze mee bezig zijn.’
Ik wilde lachen, maar deed het niet. Er waren gezichten bij mij opgekomen. Mannen vooral, maar niet alleen mannen, die zo vaak over groei, kansen en verantwoordelijkheid spraken dat je bijna vergat te vragen of zij nog ergens blij van werden. Ze konden vergaderingen vullen met woorden als visie, schaal, impact en marktpositie, maar zodra het gesprek even stilviel, zag je soms iets leegs. Alsof het bedrijf inmiddels harder ademde dan zijzelf.
‘Je maakt het wel erg tragisch,’ zei ik.
‘Omdat jij het graag romantisch houdt,’ antwoordde hij.
Daar raakte hij een gevoelige plek. Ik had inderdaad lang de neiging gehad om de ondernemer als een soort seculiere avonturier te zien. Niet de boekhouder van het bestaande, maar iemand die iets aandurfde. Iemand die niet alleen klaagde over de wereld, maar een bedrijf begon, personeel aannam, risico liep, fouten maakte, opnieuw begon. Dat beeld had iets aantrekkelijks. Zeker tegenover de zekere types die vooral vanaf de zijlijn uitleggen waarom iets niet kan.
Maar naarmate ik ouder werd, begon ik te zien dat ondernemerschap ook een podium kan zijn voor minder fraaie verlangens. Niet alleen scheppingsdrang, maar ook geldingsdrang. Niet alleen moed, maar ook rusteloosheid. Niet alleen vrijheid, maar ook de behoefte om zelf niet meer tegengesproken te worden.
‘Laten we dan onderscheid maken,’ zei ik. ‘Anders wordt alles één grote stoofpot van ego, geld en scheppingsdrang.’
Mijn vriend knikte tevreden. Hij hield van onderscheid maken. Misschien was dat zijn eigen monomanie.
‘Begin dan met de maker,’ zei hij. ‘Dat is de meest sympathieke variant. De maker wil iets tot stand brengen dat er nog niet was. Een schilderij, een roman, een machine, een gebouw, een bedrijf. Niet omdat de markt erom vraagt, maar omdat de mogelijkheid zich in hem heeft vastgezet.’
‘Of haar,’ zei ik.
‘Of haar,’ zei hij. ‘Al is de geschiedenis helaas nogal goed geweest in het bewaren van de mannelijke voorbeelden en het vergeten van de vrouwelijke.’
Dat was waar, maar hij ging door voor ik er iets van kon maken.
‘De maker is niet onschuldig,’ zei hij. ‘Hij kan verschrikkelijk zijn voor zijn omgeving. Maar zijn drive heeft nog iets vruchtbaars. Er komt iets bij in de wereld. Iets dat zonder hem niet, of niet zo, zou bestaan.’
Ik dacht weer aan Disney. Aan de kunstenaar die niet tevreden was met een tekening of film, maar een hele ervaringswereld wilde bouwen. De maker die ondernemer werd, en daarna bijna stedenbouwer. Bij Disney was de drive niet simpel geld of macht, maar beheersing van verbeelding. Hij wilde een wereld waarin de straat schoon was, het verhaal klopte, het personeel glimlachte, het gevaar decor bleef en de bezoeker zich vrijwillig liet betoveren.
‘Disney is dus een maker,’ zei ik.
‘Een maker die wereldbouwer werd,’ zei mijn vriend. ‘Dat is al een overgang. De maker begint met een werk. De wereldbouwer wil dat anderen in zijn werk gaan rondlopen.’
Dat vond ik mooi en ongemakkelijk tegelijk. Want bij een roman kun je het boek dichtklappen. Bij een pretpark koop je een kaartje. Bij een platform, een stad, een ecosysteem of een infrastructuur wordt weggaan al lastiger. De wereld van de maker kan uitnodigend beginnen en dwingend eindigen.
‘Dan heb je de speler,’ vervolgde mijn vriend. ‘Die is anders. De speler wil niet in de eerste plaats iets maken. Hij wil het spel begrijpen, winnen, en liefst de regels zo herschrijven dat winnen bijna onvermijdelijk wordt.’
‘Thiel,’ zei ik.
‘Bijvoorbeeld.’
Ik merkte dat ik bij Thiel minder vanzelfsprekend bewondering voelde. Misschien omdat zijn monomanie abstracter is. Musk bouwt raketten; daar kun je nog kinderlijk naar kijken. Disney bouwde sprookjes; daar kun je je door laten meeslepen. Maar Thiel bouwt netwerken, kapitaalroutes, politieke ingangen, monopolieposities, besloten tafels. Dat heeft minder charme, maar misschien juist meer betekenis.
‘Zijn bekende afkeer van concurrentie past daarbij,’ zei mijn vriend. ‘De speler houdt niet van het romantische marktverhaal waarin iedereen eerlijk strijdt. Hij wil weten hoe je aan strijd ontsnapt. Hoe je monopolist wordt. Hoe je een positie vindt waarin anderen nog denken dat ze spelen, terwijl jij het bord al hebt ontworpen.’
‘Dat klinkt kwaadaardig.’
‘Niet noodzakelijk. Een goede strateeg kan ook nuttige dingen bouwen. Maar de blik is koud. Mensen, bedrijven, regels en instituties worden zetten. Wie zo kijkt, kan moeilijk blijven zien dat de pion ook een leven heeft.’
Ik zweeg even. Er zat een verschil tussen de maker en de speler dat ik nog niet goed had benoemd. De maker raakt bezeten door wat mogelijk is. De speler door de structuur waarin mogelijkheden verdeeld worden. De maker vraagt: wat kan ik maken? De speler vraagt: waar zit de hefboom?
‘En dan de statuszoeker,’ zei ik, omdat ik het gesprek naar bekender terrein wilde halen. ‘De bitterballen.’
Mijn vriend glimlachte. Hij wist wat ik bedoelde.
Er bestaat een vorm van ondernemerschap die zich graag als groots presenteert, maar in werkelijkheid zelden boven de kring uitkomt waarin men elkaar bevestigt. De lokale ondernemer die altijd over risico spreekt, maar vooral gezien wil worden aan de juiste tafel. De man met de boot, het sponsorbord, de businessclub, de partijbijeenkomst, de foto met de wethouder. Niet slecht, niet nutteloos, soms zelfs maatschappelijk betrokken. Maar ook niet de wereldbouwer waarvoor hij zichzelf graag houdt.
‘De VVD-yacht,’ zei mijn vriend.
‘Dat mag jij zeggen,’ antwoordde ik.
‘Nee, dat mag jij zeggen. Het is jouw beeld.’
Ik moest lachen. Het beeld was inderdaad van mij, al wist ik niet meer wanneer het precies was ontstaan. Het ging niet letterlijk om een yacht, en ook niet alleen om de VVD. Het ging om een hele sfeer waarin ondernemerschap, fatsoen, zelfvoldaanheid, netwerkborrels en algemeen belang moeiteloos in elkaar overliepen. De bitterbal als sociologisch bindmiddel. De ondernemer die niet primair iets wil maken of winnen, maar erkend wil worden door de kring die bepaalt wie serieus genomen wordt.
‘Toch moet je daar niet alleen maar neerbuigend over doen,’ zei mijn vriend.
‘Waarom niet?’
‘Omdat status ook een productieve drive kan zijn. Mensen willen ergens bij horen, iets voorstellen, een naam opbouwen. Daardoor sponsoren ze de voetbalclub, zitten ze in besturen, nemen ze personeel aan, knappen ze een pand op, organiseren ze iets. IJdelheid is niet hetzelfde als nutteloosheid.’
Dat was een terecht bezwaar. Misschien was ik geneigd de kleine statusondernemer te makkelijk weg te zetten omdat zijn taal zo doorzichtig was. “Wij ondernemers moeten het doen.” “Zonder bedrijfsleven geen welvaart.” “De politiek begrijpt ons niet.” Het klonk vaak als algemeen belang, maar rook soms naar eigen kring. Toch kon er uit die kring wel degelijk iets voortkomen: banen, initiatieven, lokale energie, praktische kennis.
‘Dus zelfs de bitterbal heeft een maatschappelijke functie,’ zei ik.
‘Zeker,’ zei hij. ‘Alleen moet je hem niet verwarren met een beschavingsmissie.’
Daar zat precies het onderscheid waar ik naar zocht. De statuszoeker spreekt graag in grote woorden, maar zijn horizon is vaak sociaal. Hij wil niet de mensheid redden, de soort naar Mars brengen, een nieuw kapitalisme ontwerpen of een fictief universum bouwen. Hij wil meetellen. Hij wil toegang. Hij wil dat zijn succes zichtbaar wordt gemaakt en bevestigd door anderen die ook succesvol heten te zijn.
‘Dan heb je nog de dynast,’ zei mijn vriend.
‘Die hoort toch meer bij het volgende deel?’
‘Misschien. Maar de drive begint al hier. De dynast wil niet alleen zelf slagen. Hij wil dat zijn bezit hem overleeft. Familiebedrijf, naam, opvolging, grond, vastgoed, aandelen, kinderen op de juiste scholen, trouwen binnen de juiste omgeving. Het is monomanie in langzame vorm.’
Dat vond ik interessant. De dynast oogt vaak minder bezeten dan de maker of speler. Hij hoeft niet elke nacht aan een raket te sleutelen of elke regel van het spel te herschrijven. Zijn monomanie zit in continuïteit. Niets mag verloren gaan. De naam moet blijven. De positie moet worden doorgegeven. Het familieverhaal moet kloppen.
‘Daar wordt meritocratie ingewikkeld,’ zei ik.
‘Daar wordt meritocratie komisch,’ zei mijn vriend. ‘Want de dynast gelooft oprecht in kwaliteit, inzet en verantwoordelijkheid, zolang niemand te precies vraagt hoeveel daarvan al bij de geboorte was voorgefinancierd.’
Ook dat was scherp, misschien te scherp. Maar familiekapitaal heeft nu eenmaal de eigenschap zichzelf graag als karakter te vermommen. Degelijkheid, smaak, netwerk, zelfvertrouwen, taalbeheersing, bestuurlijke rust — allemaal kwaliteiten die echt kunnen zijn, maar niet zomaar uit de lucht vallen. Ze worden geoefend aan eettafels, op scholen, in vakanties, via stages, bij familiebedrijven, in de vanzelfsprekendheid waarmee iemand een kamer binnenloopt.
‘En de missiegedrevene?’ vroeg ik. ‘Die moet ook in dit rijtje.’
Mijn vriend keek mij aan alsof hij wist dat ik eigenlijk bij Musk wilde uitkomen.
‘Ja,’ zei hij. ‘De missiegedrevene is de gevaarlijkste aantrekkelijke figuur. Omdat hij iets heeft wat de statuszoeker mist: inhoud. Hij wil niet alleen gezien worden, niet alleen winnen, niet alleen behouden. Hij wil de wereld ergens heen duwen.’
Daar lag mijn oude fascinatie inderdaad. Musk was voor mij nooit alleen de rijkste man, de grillige baas, de politieke stoorzender of de sociale-mediaverslaafde geweest. Mijn eerste beeld van hem was dat van iemand met een jeugdige, bijna sciencefictionachtige missie. De mensheid moet van de aarde af kunnen. Niet als hobby, maar als verzekering tegen uitsterven. Tesla, SpaceX, Starlink, misschien zelfs zijn bemoeienis met AI — je kon het allemaal lezen als onderdelen van een beschavingsproject.
‘Bij hem lijkt luxe nauwelijks het punt,’ zei ik. ‘Hij kan er ook weinig mee. Hij werkt alsof bezit alleen nut heeft wanneer het in beweging wordt gezet.’
‘Dat maakt hem niet ongevaarlijk,’ zei mijn vriend.
‘Dat zeg ik ook niet.’
‘Nee, maar het maakt hem wel anders. De gewone rijkaard wil genieten van het bezit. De statuszoeker wil ermee gezien worden. De dynast wil het doorgeven. De speler wil het gebruiken om het bord te beheersen. De missiegedrevene wil het verbranden als brandstof voor het doel.’
‘Raketbrandstof,’ zei ik.
‘Precies.’
Daarmee was Musk nog niet vrijgepleit. Misschien juist niet. Want wie een missie groot genoeg maakt, kan bijna elke rem klein noemen. Democratie wordt traagheid. Regulering wordt lafheid. Kritiek wordt onbegrip. Arbeidsrust wordt gebrek aan urgentie. Twijfel wordt verraad aan de toekomst. De missiegedrevene kan met oprechte ogen dingen doen waar een gewone egoïst tenminste nog beschaamd bij zou kijken.
‘Dus elke drive heeft een opbrengst en een schaduw,’ zei ik.
‘Dat is de hele zaak,’ antwoordde mijn vriend. ‘De maker schept, maar kan mensen verwaarlozen. De speler ziet structuren, maar kan mensen tot pionnen maken. De statuszoeker organiseert energie, maar verwart zijn kring met de wereld. De dynast bewaart, maar sluit uit. De missiegedrevene versnelt, maar offert. En de geldgedrevene?’
‘Die hadden we nog niet gehad,’ zei ik.
‘Omdat hij minder interessant is dan men denkt. De pure geldgedrevene bestaat wel, maar hij is vaak een tussenfiguur. Soms is hij gewoon bang. Soms leeg. Soms verslaafd aan tellen. Soms is geld zijn enige manier om te weten dat hij bestaat.’
Dat vond ik bijna medelijdend klinken.
‘Je hebt ineens compassie met kapitalisten,’ zei ik.
‘Nee,’ zei hij. ‘Ik probeer alleen te voorkomen dat we dommer worden dan ons onderwerp. Als je alles hebzucht noemt, zie je niets meer.’
Daar had hij gelijk in. Hebzucht is een bruikbaar woord voor verontwaardiging, maar een zwak instrument voor analyse. Het verklaart niet waarom de ene rijke zich terugtrekt op een landgoed, de ander een raketbedrijf begint, de derde politieke kandidaten opleidt, de vierde musea sponsort, de vijfde elke belasting ontwijkt en de zesde vooral op een podium wil uitleggen dat ondernemers de ruggengraat van de samenleving zijn.
‘Dus we hebben een soort driftkaart nodig,’ zei ik.
‘Een kaart, geen hokjes,’ zei hij. ‘Mensen bewegen. De maker kan statuszoeker worden. De speler kan ideoloog worden. De dynast kan extracteur worden. De missiegedrevene kan eindigen als heerser over een systeem dat hij ooit alleen nodig dacht te hebben voor zijn doel.’
Dat laatste zinnetje deed me opnieuw aan Musk denken, maar ook aan Disney, en zelfs aan kleinere ondernemers die ooit met iets echts begonnen waren en later vooral hun eigen organisatie verdedigden. Misschien is dat wel een algemene wet van projecten: wat begint als middel, ontwikkelt een eigen honger.
De kunstenaar bouwt een oeuvre en wordt daarna bewaker van zijn reputatie.
De ondernemer bouwt een bedrijf en wordt daarna dienaar van de groei.
De speler bouwt een positie en wordt daarna gevangene van het spel.
De dynast bewaart bezit en wordt daarna beheerder van angst.
De missiegedrevene bouwt een instrument en ontdekt te laat dat het instrument ook hem bestuurt.
‘Dat is nogal somber,’ zei ik.
‘Alleen als je dacht dat zuivere motieven bestonden,’ zei mijn vriend. ‘Ik denk dat bijna alles gemengd is. En juist daarom moet je preciezer kijken. Niet om mensen vrij te pleiten, maar om te begrijpen wanneer hun drive nuttig is en wanneer zij gevaarlijk wordt.’
Hij zweeg even, wat bij hem zelden betekende dat hij niets meer te zeggen had. Meestal betekende het dat hij de volgende trap al zag en mij de illusie gunde dat ik zelf nog kon kiezen of we die opgingen.
‘Tot nu toe,’ zei hij uiteindelijk, ‘hebben we het over personen. Over verlangens, ego’s, wonden, missies, vormen van erkenning. Maar dat is nog de overzichtelijke schaal. De kunstenaar kan vervelend zijn. De uitvinder kan wereldvreemd zijn. De ondernemer kan ijdel zijn. De bitterbal kan klef zijn. Maar de echte vraag begint pas wanneer zo’n drive een systeem wordt.’
Ik wist waar hij heen wilde.
‘Personeel,’ zei ik.
‘Onder andere.’
‘Kapitaal.’
‘Ook.’
‘Aandeelhouders, fiscalisten, patenten, platforms, politiek.’
‘Precies,’ zei hij. ‘Dan gaat het niet meer alleen om wat iemand drijft. Dan gaat het om de wereld die door zijn drive wordt ingericht.’
Daar zat de overgang. Zolang de monomaan alleen zijn eigen leven vernauwt, kun je hem bewonderen, beklagen of vermijden. Maar zodra zijn vernauwing het werkritme, de afhankelijkheid, de keuzes en de toegang van anderen gaat bepalen, verandert het probleem. Dan wordt een persoonlijke obsessie een maatschappelijke structuur.
De maker wordt werkgever.
De speler wordt marktmeester.
De statuszoeker wordt lobbyist.
De dynast wordt klasse.
De missiegedrevene wordt infrastructuurbouwer.
En de geldgedrevene wordt systeemlogica.
Mijn vriend stond op om koffie te halen en liet mij met die laatste gedachte zitten. Ik keek naar de tafel, waar nog kruimels lagen van iets dat niemand zich later zou herinneren. Misschien was dat het verschil tussen gewone mensen en monomanen. De meesten van ons laten kruimels achter. Zij laten systemen achter.
Maar systemen, wist ik, zijn zelden tevreden met de bedoeling waarmee ze begonnen.
Deel 3 — Wanneer de drive schaal krijgt
Toen mijn vriend terugkwam met koffie, had hij die uitdrukking op zijn gezicht die mij altijd een beetje wantrouwig maakte. Niet triomfantelijk, eerder tevreden over de volgende bocht in zijn eigen redenering. Alsof hij al wist dat ik tegen zou sputteren, maar ook dat ik uiteindelijk toch wel mee zou lopen.
‘Je denkt nog te veel in personen,’ zei hij terwijl hij ging zitten.
‘We hádden het over personen.’
‘Ja. Maar dat is het makkelijke deel. De kunstenaar, de uitvinder, de ondernemer, de speler, de statuszoeker, de missiegedrevene. Allemaal interessant zolang ze vooral hun eigen leven ingewikkeld maken. Maar zodra hun drive schaal krijgt, verandert de vraag.’
‘In wat?’
‘In wie er moet meebewegen.’
Ik keek hem aan. Hij roerde in zijn koffie, hoewel hij er geen suiker in had gedaan. Ook dat was typisch. Sommige mensen roeren niet om iets te mengen, maar om tijd te winnen voor een formulering.
‘Een kunstenaar kan onuitstaanbaar zijn,’ zei hij. ‘Een uitvinder kan wereldvreemd zijn. Een kleine ondernemer kan ijdel zijn. Maar zolang hun project klein blijft, is de schade meestal persoonlijk, lokaal, overzichtelijk. Een vrouw die te vaak alleen eet. Een werknemer die moppert. Een vriend die afhaakt. Een atelier vol rekeningen. Dat is allemaal niet niets, maar het blijft nog menselijk van schaal.’
‘En daarna?’
‘Daarna wordt de drive een organisatie.’
Dat woord klonk meteen kouder. Organisatie. Niet langer iemand die iets wil, maar een vorm die dat willen gaat herhalen, afdwingen en uitbreiden. Een ritme. Een loonstrook. Een rooster. Een contract. Een hiërarchie. Een vergaderstructuur. Een marktaandeel. Een rapportage. Een doelstelling. Een norm.
Ik dacht aan kleine bedrijven die ik had gezien op het moment dat ze groter werden. In het begin liep alles nog via de persoon. De oprichter kende de klanten, de medewerkers, de leveranciers, de machine die altijd haperde, de boekhouder die te laat was, de klant die je beter niet te hard moest aanpakken. Er zat rommel in, maar ook nabijheid. Je kon nog zien waar de wil vandaan kwam.
Daarna kwamen systemen. Niet noodzakelijk uit slechtheid, vaak juist uit noodzaak. Procedures, functiebeschrijvingen, KPI’s, software, afdelingshoofden, leasecontracten, HR-taal. Wat eerst karakter was, werd cultuur. Wat eerst een gewoonte was, werd beleid. Wat eerst de drive van één iemand was, werd het dagritme van velen.
‘Het familiebedrijf is misschien de eerste overgang,’ zei ik.
Mijn vriend knikte.
‘Ja. Daar zie je nog de menselijke kant van systeemvorming. De naam op de gevel, de kinderen die meelopen, de medewerkers die bijna familie heten, de klanten die al jaren komen. Bezit, zorg, trots en controle zitten daar dicht op elkaar.’
Ik had altijd een zwak gehad voor goede familiebedrijven. Misschien omdat ze, in hun beste vorm, iets vasthouden wat in grote bedrijven verdwijnt: herinnering. De oprichter weet nog waarom iets ooit begonnen is. De zoon of dochter kent de verhalen. De oude medewerker is geen nummer maar een hoofdstuk. Er is vakmanschap, continuïteit, lokale binding, een zekere traagheid zelfs. Niet alles hoeft meteen verkocht, opgeschaald of geoptimaliseerd.
Maar natuurlijk zat daar ook de andere kant. Familiebedrijven kunnen warm zijn voor wie binnen de cirkel valt en verstikkend voor wie erbuiten staat. Opvolging wordt dan belangrijker dan bekwaamheid. Trouw belangrijker dan tegenspraak. De naam belangrijker dan waarheid. Wat aan de buitenkant verantwoordelijkheid heet, kan aan de binnenkant bezittersangst zijn.
‘De dynastiek begint daar,’ zei mijn vriend. ‘Niet meteen als karikatuur van landgoederen en oude families, maar gewoon in de vraag: hoe blijft dit van ons?’
‘Dat is toch niet per se slecht?’
‘Nee. Continuïteit is niet slecht. Maar je moet zien wat er gebeurt. De drive verschuift. De maker wilde iets maken. De bouwer wilde iets opbouwen. De familie wil dat het blijft. Daarmee komt er een nieuwe logica binnen: selectie, opvolging, bescherming, uitsluiting.’
Ik dacht aan dat mooie, gevaarlijke woord: “eigen”. Eigen bedrijf. Eigen mensen. Eigen naam. Eigen kapitaal. Eigen cultuur. Het klinkt warm, bijna zorgzaam. Maar elk eigen trekt ook een grens. Wie hoort erbij? Wie mag meepraten? Wie erft? Wie moet zich bewijzen? Wie krijgt het voordeel van vertrouwen voordat hij iets heeft gedaan?
‘Meritocratie begint vaak pas buiten de familie,’ zei mijn vriend.
‘Dat is een gemene zin.’
‘Maar niet onwaar.’
Hij had gelijk. Binnen families hoeft talent niet helemaal bewezen te worden voordat het kansen krijgt. Het mag oefenen. Mislukken. Terugkomen. Meekijken. De taal leren. Vertrouwen erven. De buitenstaander noemt dat later natuurlijk kwaliteit, netwerk of ondernemingszin. Soms is dat ook zo. Maar het is kwaliteit die in een kas heeft kunnen groeien.
‘Toch is het familiebedrijf nog niet het grote probleem,’ zei ik. ‘De echte omslag komt met de fabriek.’
Mijn vriend keek tevreden. Ik had blijkbaar de volgende stap zelf genomen.
De fabriek is de plek waar de persoonlijke drive van de ondernemer definitief het lichaam van anderen binnengaat. Niet letterlijk natuurlijk, al voelt arbeid soms wel zo. Het is niet meer alleen zijn werkdag, zijn risico, zijn ambitie. Het wordt ieders klok. De bel, de ploeg, de machine, de pauze, de norm, de voorman. De droom van de één wordt de herhaling van de ander.
‘De fabriek,’ zei mijn vriend, ‘is misschien de eerste grote vertaling van monomanie naar tijdsdiscipline.’
Dat vond ik een mooie zin. De ondernemer wil produceren, opschalen, leveren, groeien. Maar daarvoor moet de tijd van anderen worden georganiseerd. Niet zomaar gevraagd, maar ingericht. Het lichaam moet komen opdagen. De hand moet bewegen. De rug moet buigen. De aandacht moet blijven. Het leven buiten de fabriek moet zich voegen naar het leven binnen de fabriek.
In de fabriek wordt de massa noodzakelijk. Dat is het ambivalente. De arbeider wordt uitgebuit, zeker, maar hij is ook onmisbaar. Zonder arbeiders geen productie. Zonder lonen geen consumptie. Zonder gezinnen geen volgende generatie arbeidskrachten. Zonder enige gezondheid geen leger, geen fabriek, geen belastingbasis. Het kapitalisme van de fabriek is hard, maar het heeft de massa nog nodig.
‘Daarom kon er ook tegenmacht ontstaan,’ zei mijn vriend. ‘Vakbonden, arbeidsrecht, kiesrecht, sociale zekerheid, onderwijs. Niet alleen uit moraal, maar ook uit afhankelijkheid. Wie mensen nodig heeft, moet op den duur iets met hun eisen.’
Dat was een gedachte waar ik vaker op terugkwam. Veel beschaving ontstaat niet doordat machthebbers ineens goed worden, maar doordat afhankelijkheden zichtbaar worden. De arbeider kan staken. De consument kan wegblijven. De kiezer kan boos worden. De soldaat kan deserteren. De burger kan zich organiseren. Wie nodig is, kan lastig zijn.
Misschien is dat de belangrijkste waardigheid van de industriële massa geweest: zij was lastig omdat zij nodig was.
‘En dan komt het concern,’ zei ik.
‘Of het ecosysteem,’ zei mijn vriend. ‘Dat is alweer een stap verder.’
Het concern maakt de fabriek abstracter. Niet één gebouw, maar ketens. Niet één baas, maar bestuur, aandeelhouders, juristen, controllers, consultants, toezichthouders, dochtermaatschappijen. De ondernemer verdwijnt naar de achtergrond, of wordt een mythische oprichter op de muur. De drive leeft voort in structuren die niemand afzonderlijk nog volledig beheerst.
Het woord ecosysteem wordt tegenwoordig graag gebruikt, vooral door mensen die een markt liever niet meer markt noemen. Een ecosysteem klinkt natuurlijk, wederkerig, organisch. Alsof iedereen een plekje heeft en de bijen tevreden zoemen. Maar in economische taal betekent ecosysteem vaak: een omgeving waarin veel anderen afhankelijk worden van de standaarden, platforms, infrastructuur of voorwaarden van één dominante partij.
‘Dat is de slimme macht van het ecosysteem,’ zei mijn vriend. ‘Het beveelt minder direct dan de fabriek. Het richt de omgeving zo in dat anderen vrijwillig doen wat voor het centrum nuttig is.’
‘Zoals leveranciers die zich aanpassen.’
‘Ja. Franchisenemers, appbouwers, dealers, contentmakers, chauffeurs, webwinkels, kleine producenten. Ze zijn zelfstandig genoeg om risico te dragen, maar afhankelijk genoeg om de regels niet te bepalen.’
Daar zat een overgang die mij belangrijk leek. In de fabriek zie je de hiërarchie. De baas, de machine, de arbeider. In het ecosysteem verdwijnt de baas achter interfaces, contracten, standaarden en voorwaarden. De macht wordt minder zichtbaar, maar vaak niet kleiner. Misschien juist groter, omdat zij als omgeving verschijnt.
‘De ondernemer wordt dan geen werkgever meer, maar marktmeester,’ zei ik.
‘Precies,’ zei mijn vriend. ‘Hij organiseert niet alleen arbeid, maar toegang.’
Toegang. Daar was het woord weer, dat in het vorige gesprek al bij Disney was opgedoken. Toegang tot een universum. Toegang tot klanten. Toegang tot data. Toegang tot infrastructuur. Toegang tot zichtbaarheid. Toegang tot betaling. Toegang tot aandacht.
Bij het platform wordt dat helemaal duidelijk. Het platform maakt zelf niet altijd het product. Het bezit niet altijd de taxi’s, de huizen, de winkels, de muziek, de teksten, de filmpjes, de relaties of de arbeid. Het organiseert de toegang ertoe. En wie toegang organiseert, kan tol heffen, rangschikken, zichtbaar maken, onzichtbaar maken, voorwaarden wijzigen, gedrag meten en afhankelijkheid opbouwen.
‘Dat is technofeodalisme,’ zei ik.
Mijn vriend glimlachte. Hij had dat woord van mij al vaker gehoord.
‘Noem het voorlopig gewoon poortwachtersmacht,’ zei hij. ‘Dat leest rustiger.’
Hij had gelijk. Grote woorden kunnen te vroeg dichtklappen. Poortwachtersmacht was concreter. De platformbouwer staat niet meer aan het hoofd van een fabriek, maar bij de poort van een wereld waarin anderen moeten zijn. Hij hoeft niet alles te bezitten. Hij hoeft alleen te bepalen wie binnenkomt, wie gevonden wordt, wie betaalt, wie data levert en wie bij een wijziging van de voorwaarden ineens buiten staat.
Dat is een ander soort ondernemerschap dan de oude bouwer met zijn loods, machines en personeel. Het is abstracter, schoner ogend, vaak verpakt in gebruiksgemak. De gebruiker klikt. De verkoper uploadt. De maker publiceert. De chauffeur accepteert. De kleine ondernemer adverteert. Iedereen lijkt vrij, maar de voorwaarden liggen elders.
‘En waar is de oorspronkelijke drive dan gebleven?’ vroeg ik.
‘Die is niet verdwenen,’ zei mijn vriend. ‘Zij is vermenigvuldigd in het systeem. De maker wilde iets bouwen, de speler wilde het spel bepalen, de statuszoeker wilde erkenning, de dynast wilde continuïteit, de missiegedrevene wilde versnelling. In een groot systeem kunnen al die drives tegelijk aanwezig zijn, maar niemand noemt ze nog zo. Dan heten ze strategie, governance, groei, compliance, shareholder value, platform policy.’
Ik zuchtte.
‘Je verpest wel veel woorden.’
‘Nee,’ zei hij. ‘Ik haal de geur terug.’
Dat vond ik irritant goed gezegd. Economische taal heeft inderdaad de neiging om geurloos te worden. Waardecreatie. Optimalisatie. Schaalvoordeel. Flexibilisering. Ecosysteem. Innovatie. Governance. Al die woorden klinken alsof niemand er moe van wordt, niemand eruit valt, niemand afhankelijk wordt, niemand iets verliest. Maar achter elk glad woord zit een verhouding tussen mensen.
In het familiebedrijf is die verhouding nog zichtbaar. In de fabriek wordt zij georganiseerd. In het concern wordt zij geabstraheerd. In het platform wordt zij technisch gemaakt. In de fluïde constructie wordt zij juridisch verplaatst.
‘Daar zijn we nog niet,’ zei mijn vriend, alsof hij mij betrapte op vooruitlopen.
‘Ik dacht het alleen.’
‘Ik zag het.’
Hij had gelijk. Ik wilde al naar de holdings, belastingroutes, brievenbusfirma’s, fiscalisten en advocaten. Naar de ondernemer die nergens meer echt woont, behalve in contracten. Maar misschien moesten we nog even blijven bij de tussenfase, omdat daar iets belangrijks gebeurt: de afstand groeit.
De kleine ondernemer kan zijn medewerker nog in de ogen kijken. De familiebaas kent de naam van de klant. De fabrieksdirecteur ziet tenminste nog de poort waar de arbeiders door naar binnen gaan. Maar in het concern en het platform wordt verantwoordelijkheid diffuus. De beslissing komt uit een model, een strategie, een marktdruk, een aandeelhoudersverwachting, een algoritme, een juridische noodzaak.
Niemand lijkt het persoonlijk te willen, en toch gebeurt het.
‘Dat is het moment waarop de drive zichzelf verstopt,’ zei mijn vriend. ‘Zolang de oprichter roept dat hij de wereld wil veranderen, kun je hem aanspreken. Maar zodra het systeem zegt dat er nu eenmaal geoptimaliseerd moet worden, wordt tegenspraak moeilijker. Tegen wie praat je dan? Tegen een dashboard?’
Ik dacht aan werknemers die niet door een boze baas, maar door een reorganisatie werden geraakt. Aan kleine ondernemers die niet door een vijand, maar door gewijzigde platformvoorwaarden verdwenen. Aan klanten die niet door een persoon, maar door een systeem werden uitgesloten. Aan burgers die tegenover instanties stonden waarin niemand de bedoeling nog leek te bezitten.
‘De drive wordt objectief gemaakt,’ zei ik.
‘Ja,’ zei mijn vriend. ‘En daarmee moreel ongrijpbaarder. Wat ooit iemands ambitie was, wordt later de logica van het systeem.’
Dat leek mij de kern van dit deel. Een persoonlijke monomanie is nog te bevragen. Je kunt tegen de kunstenaar zeggen dat hij zijn gezin verwaarloost. Tegen de ondernemer dat hij zijn personeel uitput. Tegen de speler dat hij mensen als pionnen behandelt. Maar hoe spreek je een systeem aan dat alleen nog terugpraat in noodzakelijkheid?
De markt vraagt het.
De aandeelhouder verwacht het.
De klant wil het.
De concurrentie dwingt het.
Het algoritme voorspelt het.
De strategie vereist het.
De wet staat het toe.
De fiscalist raadt het aan.
Niemand zegt: ik wil dit omdat ik zo ben. Iedereen zegt: het moet.
‘Daarmee komen we dicht bij jouw oude thema,’ zei mijn vriend.
‘Winstmaximalisatie?’
‘Onder andere. Maar breder: optimale extractie.’
Ik voelde dat het gesprek verschoof. Tot nu toe waren we nog bij ondernemers, bedrijven en systemen gebleven. Nu kwam de roofridder dichterbij. De gedachte dat de geschiedenis van macht misschien te lezen is als een steeds verfijndere techniek om waarde naar boven, naar binnen of naar elders te trekken.
Maar ook daar wilde ik nog niet te snel heen. Eerst moest duidelijk blijven dat systemen niet alleen slecht zijn. Een familiebedrijf kan mensen dragen. Een fabriek kan welvaart scheppen. Een concern kan producten overal beschikbaar maken. Een platform kan kleine makers een publiek geven. Een ecosysteem kan samenwerking mogelijk maken. Schaal is niet alleen vervreemding; schaal is ook beschaving.
‘We moeten oppassen,’ zei ik. ‘Anders wordt elke vorm van schaal meteen verdacht.’
‘Dat is niet de bedoeling,’ zei mijn vriend. ‘Schaal is dubbel. Zonder schaal geen spoorwegen, ziekenhuizen, vaccins, auto’s, internet, energievoorziening. Maar schaal verandert wel de morele situatie. Hoe groter het systeem, hoe makkelijker de oorspronkelijke drive zich verschuilt achter woorden als noodzaak, efficiëntie en vooruitgang.’
Dat was precies de balans die nodig was. Ik wilde geen romantisch pleidooi voor kleinheid. Kleine werelden kunnen benauwend, nepotistisch en dom zijn. Grote systemen kunnen bevrijden. Maar grote systemen kunnen ook zo groot worden dat niemand zich nog verantwoordelijk voelt voor wat zij aanrichten.
‘Misschien,’ zei ik, ‘is dat het verschil tussen bouwen en inrichten.’
Mijn vriend keek op.
‘Leg uit.’
‘De bouwer maakt iets. Een bedrijf, fabriek, film, machine. Maar de systeemondernemer richt een omgeving in waarin anderen moeten handelen. Hij bouwt niet alleen een ding, maar de voorwaarden waaronder anderen hun dingen kunnen doen.’
‘Dat is goed,’ zei mijn vriend. ‘Daarmee kom je vanzelf bij toegang.’
En inderdaad: hoe verder de ontwikkeling gaat, hoe minder het alleen om bezit lijkt te gaan en hoe meer om toegang. Het familiebedrijf bezit grond, machines, voorraad, naam. De fabriek bezit productiemiddelen. Het concern bezit ketens en merken. Het platform bezit toegang, data en regels. De fluïde bandiet bezit misschien niet eens veel tastbaars op één plek, maar wel routes, claims, rechten, contracten en constructies.
De macht verschuift van hebben naar bepalen wie waar bij kan.
‘Dat is ook waarom Disney zo interessant blijft,’ zei ik. ‘Hij lijkt een vrolijke maker, maar hij bouwt al een toegangslogica. Je mag zijn wereld in, maar alleen via zijn poort, zijn kaartje, zijn regels, zijn route, zijn glimlach.’
‘En daarom is Musk ook meer dan een ondernemer,’ zei mijn vriend. ‘Wie satellieten, raketten, laadnetwerken, AI, auto’s en communicatieplatforms bouwt, maakt niet alleen producten. Hij maakt afhankelijkheden.’
‘Maar bij hem blijft die missie,’ zei ik. ‘Hij wil niet gewoon bij de elite horen.’
‘Dat geloof ik ook,’ zei mijn vriend. ‘Maar missie verandert niets aan de structuur. Soms maakt zij haar juist sterker. Want als de missie groot genoeg is, wordt afhankelijkheid makkelijker te verdedigen.’
Ik zweeg. Dat was de lastige waarheid waar ik steeds omheen draaide. Het maakte uit wat iemand dreef, maar het maakte niet alles goed. De kunstenaar kon werkelijk bezield zijn en toch zijn omgeving beschadigen. De ondernemer kon werkelijk bouwen en toch werknemers uitputten. Musk kon werkelijk geloven in een multiplanetaire toekomst en toch infrastructuurmacht concentreren op een manier die democratisch ongemakkelijk is.
De zuiverheid van de drive is niet hetzelfde als de onschuld van het systeem.
Mijn vriend dronk zijn koffie eindelijk op. Hij keek even naar buiten en zei toen:
‘Misschien kun je het zo formuleren. In het begin offert de monomaan vooral zichzelf op. Daarna zijn omgeving. Daarna zijn werknemers. Daarna leveranciers en klanten. Daarna markten. En op een gegeven moment hele publieke ruimtes.’
‘Dat klinkt als een aanklacht.’
‘Het is een waarschuwing. En zoals elke waarschuwing is zij overdreven totdat zij te laat blijkt.’
Ik dacht terug aan de eerste vraag: waarom steken mensen hun leven in bijna monomane zaken die ten koste gaan van geluk en wijsheid? Misschien was het antwoord niet één antwoord, maar een reeks verschuivingen. Eerst omdat ze iets moeten maken. Daarna omdat het gemaakte moet groeien. Daarna omdat groei een systeem nodig heeft. Daarna omdat het systeem zichzelf moet verdedigen. En uiteindelijk omdat niemand nog precies weet waar het oorspronkelijke verlangen eindigde en de systeemdrang begon.
‘Dus deel één was de monomaan,’ zei ik. ‘Deel twee de drive. Deel drie de schaal.’
‘En deel vier,’ zei mijn vriend, ‘wordt minder gezellig.’
‘De roofridders?’
‘De roofridders,’ zei hij. ‘Maar niet alleen die met zwaarden. Juist die met juristen.’
Ik wist dat hij gelijk had. Als je eenmaal ziet hoe persoonlijke drive systeem wordt, moet je ook kijken naar wat dat systeem doet. Haalt het waarde uit mensen omdat het hen nodig heeft? Of beweegt het naar een fase waarin mensen vooral nog hinderlijk zijn? De fabriek had arbeiders nodig. Het platform heeft gebruikers nodig. Maar wat gebeurt er als techniek, kapitaal en netwerken zich beginnen voor te stellen dat grote groepen mensen niet langer nodig zijn als arbeider, misschien zelfs steeds minder als consument, maar nog wel als risico, kostenpost of politieke last?
Mijn vriend zag aan mijn gezicht dat ik de vraag al had gehoord voordat hij haar uitsprak.
‘Eerst,’ zei hij zacht, ‘moesten ze ons organiseren om waarde uit ons te halen. De volgende vraag is wat er gebeurt wanneer ze ons liever niet meer nodig hebben.’
Dat was inderdaad minder gezellig.
Maar misschien was het precies waar het verhaal heen moest.
Deel 4 — Van extractie naar uitsluiting
‘De roofridders dus,’ zei ik.
Mijn vriend keek op alsof hij het woord even wilde wegen. Roofridders. Het had iets kinderachtigs, iets van schoolplaten en houten zwaarden, maar juist daarom werkte het. Je zag meteen de man op zijn paard, de brug, de tol, de reiziger die weinig keuze had. Macht werd er overzichtelijk van. Te overzichtelijk misschien.
‘Niet alleen roofridders,’ zei hij. ‘Bandieten.’
‘Dat is beter?’
‘Analytisch wel.’
Daar was hij weer, met zijn hinderlijke behoefte aan analytische zuiverheid. Toch wist ik waar hij heen wilde. Mancur Olson had ooit het onderscheid gemaakt tussen de rondtrekkende bandiet en de stationaire bandiet. De eerste rooft en vertrekt. De tweede blijft zitten en ontdekt dat het slimmer is zijn slachtoffers niet helemaal uit te persen. Wie volgend jaar opnieuw belasting wil heffen, moet zorgen dat er volgend jaar nog iets te halen valt.
‘De stationaire bandiet is de beschavingsvorm van de rover,’ zei ik.
Mijn vriend glimlachte.
‘Precies. Hij wordt niet goed. Hij wordt verstandig.’
Dat vond ik een belangrijke zin. Veel orde begint misschien niet bij moraal, maar bij eigenbelang op langere termijn. De rover die blijft, moet wegen beschermen. Hij moet oogsten niet volledig vernietigen. Hij moet ruzies beslechten, dieven weren, grenzen bewaken, misschien zelfs recht spreken. Niet omdat hij van rechtvaardigheid houdt, maar omdat chaos slecht is voor zijn toekomstige opbrengst.
‘De staat als bandiet met geduld,’ zei ik.
‘Dat is de onaardige formulering,’ zei mijn vriend. ‘Maar ze helpt wel.’
Ze hielp inderdaad. Want ze maakte zichtbaar dat macht lange tijd gebonden was aan plaats. Wie wilde heersen, moest ergens heersen. Over land, mensen, oogsten, handel, havens, steden, mijnen, wegen. De machthebber had een territorium nodig en was daardoor ook afhankelijk van dat territorium. Hij kon zijn onderdanen onderdrukken, maar niet volledig missen. Ze moesten zaaien, oogsten, bouwen, vechten, kinderen krijgen, belasting betalen.
De onderworpenen waren slachtoffers, maar ook voorwaarde.
‘Daar zit het eerste ongemak,’ zei mijn vriend. ‘Uitbuiting betekent nog niet overbodigheid. Integendeel. De uitbuiter heeft de uitgebuite nodig.’
Ik schreef die zin in gedachten op. De uitbuiter heeft de uitgebuite nodig. Dat klinkt bijna troostrijk, maar is het natuurlijk niet. Het is de troost van de koe die weet dat de boer haar niet meteen zal slachten zolang zij melk geeft.
Toch ligt daar wel de basis voor tegenmacht. Wie nodig is, kan lastig worden. De boer kan vluchten. De arbeider kan staken. De soldaat kan deserteren. De kiezer kan zich roeren. De consument kan weigeren. De burger kan eisen stellen. Uitbuiting bevat nog een draad van wederzijdse afhankelijkheid, hoe ongelijk ook.
‘En dan komt de fabriek,’ zei ik.
‘De fabriek is de stationaire bandiet in industriële vorm,’ zei mijn vriend.
Dat vond ik te hard.
‘Nu doe je alsof elke industrieel een rover is.’
‘Nee,’ zei hij. ‘Ik zeg dat de logica verschuift maar niet verdwijnt. De fabriek rooft niet zoals een ruiter rooft. Zij organiseert arbeid, tijd, lichamen en aandacht. Zij haalt waarde uit herhaling.’
Daar kon ik weinig tegenin brengen. De fabriek was geen plundertocht, maar een ritme. De klok, de bel, de ploeg, de lopende band, het loon, de huur, de winkel, de zondag. Het hele leven werd om productie heen gevouwen. Hard, maar ook productief. Vernietigend, maar ook beschavend. Zonder fabriek geen arbeidersklasse, maar ook geen vakbond. Geen vervreemding, maar ook geen massaproductie. Geen uitbuiting, maar ook geen betaalbare goederen, spoorwegen, steden, elektriciteit, medische apparatuur.
Dat maakte de geschiedenis zo lastig. De bandiet werd niet vervangen door de engel. Hij werd vervangen door systemen die tegelijk namen en gaven.
‘De fabriek had de massa nodig,’ zei mijn vriend. ‘Dat is het verschil. Arbeiders waren kosten, maar ook capaciteit. Ze waren lastig, maar noodzakelijk. Ze moesten worden gedisciplineerd, maar ook gevoed, opgeleid, gehuisvest, verzekerd, genezen. Niet uit goedheid alleen, maar omdat zieke, ongeletterde, uitgeputte mensen slechte productiefactoren zijn.’
‘En slechte soldaten,’ voegde ik toe.
‘En slechte consumenten.’
Daarmee was de moderne samenleving misschien wel samen te vatten: de massa werd niet bevrijd omdat de elite haar ineens liefhad, maar omdat zij op te veel manieren functioneel werd. Arbeider, soldaat, moeder, consument, kiezer, belastingbetaler. Elke rol gaf een beetje macht terug. Niet genoeg, nooit vanzelf, altijd bevochten. Maar toch.
De verzorgingsstaat, dacht ik, was misschien niet alleen een morele overwinning, maar ook een infrastructuur voor nuttige mensen. Onderwijs maakte burgers productiever. Gezondheidszorg hield lichamen inzetbaar. Pensioenen pacificeerden ouderdom. Sociale zekerheid voorkwam opstand en totale ontwrichting. Het was beschaving, zeker. Maar beschaving met een boekhouding.
‘Dat is nog steeds extractie,’ zei mijn vriend. ‘Maar extractie met onderhoud.’
Ik keek hem aan.
‘Dat klinkt bijna als een landbouwmodel.’
‘Dat is het ook. De stationaire bandiet leert dat je de akker niet moet vernielen. De industrieel leert dat je de arbeidskracht niet volledig moet opbranden. De verzorgingsstaat leert dat een bevolking onderhouden moet worden om bruikbaar, rustig en productief te blijven.’
Ik wilde bezwaar maken, omdat dit alles te cynisch maakte. Mensen hadden gestreden voor rechten. Er was solidariteit geweest, geloof, sociaaldemocratie, christelijke naastenliefde, vakbondstrots, burgerlijke beschaving, angst voor revolutie, herinnering aan oorlog. Niet alles was functioneel eigenbelang van bovenaf.
Mijn vriend knikte toen ik dat zei.
‘Natuurlijk. Geschiedenis heeft nooit één oorzaak. Maar kijk naar de structurele verhouding. Zolang de massa nodig was, kon zij rechten afdwingen. De vraag is wat er gebeurt wanneer de bovenlaag gaat denken dat zij de massa minder nodig heeft.’
Daar lag de overgang waar ik tegenaan hikste.
Van optimale extractie naar optimale uitsluiting.
Het klonk te groot. Te netjes ook. Alsof de geschiedenis een schuifknop had: eerst uitbuiten, dan buitensluiten. In werkelijkheid lopen die dingen natuurlijk door elkaar. Er wordt nog steeds uitgebuit. Mensen werken in magazijnen, fabrieken, zorginstellingen, bezorgketens, callcenters, datalabelbedrijven, keukens, velden. De wereld draait niet vanzelf. De elite heeft nog steeds chauffeurs, schoonmakers, programmeurs, verpleegkundigen, technici, soldaten, leraren en consumenten nodig.
En toch was er iets veranderd.
‘Zeg het voorzichtig,’ zei mijn vriend, die mijn aarzeling zag. ‘Niet: ze hebben ons niet meer nodig. Dat is te absoluut. Zeg: het wordt voor elites voorstelbaarder om zich een wereld in te denken waarin brede wederzijdse afhankelijkheid afneemt.’
Dat was beter. Minder pamflettair, sterker.
De fluïde bandiet was daarin de tussenfiguur. Hij was niet meer de rover die vertrekt, en ook niet de vorst die blijft. Hij was mobiel. Hij gebruikte staten, maar hoorde er niet echt bij. Hij profiteerde van wegen, havens, rechtspraak, onderwijs, infrastructuur, politie, subsidies en koopkracht, maar zijn winsten konden elders landen. In holdings, fondsen, belastingparadijzen, brievenbusfirma’s, trusts, licenties, intellectueel eigendom, schuldroutes, datastromen.
‘De fluïde bandiet,’ zei mijn vriend, ‘is stationair wanneer hij bescherming nodig heeft en mobiel wanneer hij moet bijdragen.’
Ik liet die zin even liggen. Hij had de nare elegantie van iets dat je liever niet waar vond.
De oude stationaire bandiet had een gebied nodig. De fluïde bandiet heeft jurisdicties nodig. Hij zoekt niet één plek, maar combinaties van plekken: produceren hier, verkopen daar, belasting daar weer niet, juridische aansprakelijkheid elders, intellectueel eigendom in een vriendelijk regime, personeel in een flexibel contract, winst in een structuur die niemand aan de kassa ziet.
Hij heeft nog steeds de samenleving nodig, maar niet als gemeenschap. Eerder als menukaart.
‘En daarom wordt democratie zwakker,’ zei ik. ‘Niet omdat niemand meer stemt, maar omdat de dingen waarover gestemd zou moeten worden zich verplaatsen.’
‘Ja,’ zei mijn vriend. ‘De burger blijft territoriaal. Kapitaal wordt fluïde. De belastingbetaler woont ergens. De constructie niet.’
Dat was precies het probleem. De meeste mensen leven nog in een plaats. Ze hebben een huis, school, huisarts, gemeente, weg, buurt, land, taal, familie, baan. Hun problemen zijn gebonden: huur, zorg, energie, vervoer, loon, belasting, pensioen. Maar de bovenlaag die over investeringen, platforms, productieketens en fiscale routes beslist, beweegt anders. Zij is niet plaatsloos, want ook zij woont ergens en gebruikt echte infrastructuur. Maar zij kan zich veel beter onttrekken aan de gevolgen van plaats.
‘Dat is optimale extractie,’ zei mijn vriend. ‘Wel gebruikmaken van het gemeenschappelijke, zo weinig mogelijk gebonden zijn aan het gemeenschappelijke.’
‘En optimale uitsluiting?’
Hij zweeg even. Voor het eerst leek hij de formulering zelf ook te zwaar te vinden.
‘Dat is de volgende fantasie,’ zei hij. ‘Niet noodzakelijk de werkelijkheid, nog niet volledig. Maar wel de richting van een bepaalde verbeelding. De gedachte dat je niet alleen waarde kunt onttrekken aan de massa, maar je ook van haar kunt afzonderen.’
Ik dacht aan gated communities, private beveiliging, exclusieve scholen, belastingroutes, private zorg, private steden, bunkers, seasteading, netwerkstaten, besloten conferenties, ledenclubs, invitation-only netwerken, private infrastructuur, ruimtevaartfantasieën, Mars, Rand.
Ayn Rands vallei. Galt’s Gulch. De productieven die zich terugtrekken uit een wereld van parasieten en bureaucraten. De morele droom van de elite-exit: wij zijn degenen die de wereld dragen, dus laten we eens zien wat er gebeurt als wij vertrekken.
‘Rand is dus niet zomaar literatuur,’ zei ik.
‘Literatuur is nooit zomaar literatuur,’ zei mijn vriend. ‘Maar nee, in dit verhaal is Rand een fantasie van afscheiding. Niet de fabriek waarin de massa werkt. Niet het platform waarop de massa klikt. Maar de vallei waarin de uitverkorenen onder elkaar zijn.’
‘Dat is wel heel hard.’
‘Het is ook een hard boek.’
Ik moest lachen, maar niet van harte.
Bij Rand wordt afhankelijkheid omgekeerd. De rijken, makers, ondernemers en genieën zijn niet afhankelijk van de samenleving; de samenleving is afhankelijk van hen. Belastingen zijn roof. Solidariteit is parasitisme. Democratische correctie is middelmatigheid die excellentie ketent. De oplossing is exit. De besten trekken zich terug. De rest mag ervaren wat zij zonder de besten waard is.
‘Het is de droom van de stationaire bandiet die geen zin meer heeft in zijn onderdanen,’ zei ik.
Mijn vriend keek verrast op.
‘Dat is goed.’
Ik schreef het bijna op. De stationaire bandiet zonder zin in onderdanen. Dat was misschien de overgang van extractie naar uitsluiting in één beeld. De oude machthebber wilde blijven omdat daar zijn opbrengst lag. De nieuwe elite droomt ervan weg te kunnen. Niet noodzakelijk fysiek, al gebeurt dat soms ook, maar juridisch, fiscaal, digitaal, cultureel, ruimtelijk, moreel.
Niet meer:
Hoe besturen we deze mensen?
Maar:
Hoe vermijden we dat zij ons vertragen, belasten, reguleren, lastigvallen of iets van ons eisen?
Daarmee veranderde ook de blik op de massa. De arbeider was lastig maar nodig. De consument was grillig maar nuttig. De burger was vervelend maar legitiem. De gebruiker was waardevol zolang hij data leverde en aandacht gaf. Maar wie niet werkt, niet consumeert, niet interessant is als data, wel zorg nodig heeft, wel stemt, wel klaagt, wel woningen bezet, wel de publieke ruimte gebruikt — wat is die nog in het systeem?
Ik schrok van mijn eigen gedachte.
‘Daar moeten we voorzichtig mee zijn,’ zei ik. ‘Anders klinkt het alsof er een plan is om mensen af te schrijven.’
‘Er hoeft geen plan te zijn,’ zei mijn vriend. ‘Een structuur kan ook zonder plan selecteren. De vraag is welke mensen in de nieuwe logica nog als waardevol verschijnen.’
Dat was misschien de juiste formulering. Niet: wie wil men vernietigen? Maar: wie telt nog mee wanneer waarde vooral wordt gemeten als rendement, data, talent, koopkracht, invloed, schaalbaarheid of veiligheid?
De arme arbeider telde in de fabriek tenminste nog als arbeidskracht. De arme consument telde in de massamarkt nog als koper. De arme burger telde in de democratie nog als stem. Maar als werk automatiseert, consumptie segmenteert, politiek gemanaged wordt, data waardevoller is dan aanwezigheid en rijkdom zich kan terugtrekken in eigen circuits, dan verschuift de onderkant van uitgebuit naar overbodig.
Overbodig is een gevaarlijker woord dan uitgebuit.
De uitgebuite kan nog zeggen: zonder mij werkt het niet.
De overbodige hoort: met jou werkt het slechter.
‘Dat is de morele breuk,’ zei mijn vriend. ‘Uitbuiting is onrechtvaardig, maar erkent nog een relatie. Uitsluiting zegt: er is geen relatie meer nodig.’
Ik dacht aan steden waarin rijken zich terugtrekken achter hekken terwijl armen via camera’s en algoritmen worden beheerd. Aan landen waarin nuttige migranten welkom zijn en kansloze migranten bedreiging heten. Aan arbeidsmarkten waarin hoogopgeleiden talent zijn en laagbetaalden kostenpost. Aan platforms die gebruikers nodig hebben totdat sommige gebruikers alleen nog moderatieprobleem zijn. Aan AI-systemen die beloven werk over te nemen en tegelijk vaag blijven over wat mensen dan moeten zijn.
‘En waar past Thiel?’ vroeg ik.
‘In de overgang,’ zei mijn vriend. ‘Hij is geen simpele rover. Hij is ook geen Disney die een droomwereld voor gezinnen bouwt. Hij is eerder de speler die tafels bouwt waaraan de geselecteerden elkaar ontmoeten. Hij investeert in bedrijven, ideeën, politici, netwerken, exit-opties. Hij is geïnteresseerd in de vraag wie straks de regels schrijft wanneer de oude instituties te traag, te democratisch of te zwak blijken.’
‘Dialog als nieuwe Bilderberg?’
‘Niet hetzelfde, maar verwant als vorm. Bilderberg was de salon van de Atlantische orde. Dialog lijkt eerder de salon van mensen die vermoeden dat de volgende orde elders wordt ontworpen.’
Dat onderscheid beviel me. Het hield de analyse weg bij platte complottheorie. Niet: daar wordt de wereld bestuurd. Wel: daar worden beelden, verbanden, toegang en vertrouwen georganiseerd. En in elitesferen is toegang vaak al halve macht. Wie elkaar ontmoet, wie serieus genomen wordt, wie vroeg geld krijgt, wie als talent geldt, wie als bedreiging wordt gezien, wie op de lijst staat en wie niet — dat zijn geen details.
‘Dus uitsluiting is niet alleen ruimtelijk,’ zei ik. ‘Niet alleen gated communities.’
‘Nee. Uitsluiting begint vaak als selectie. Wie hoort bij de kring? Wie is high agency? Wie is founder material? Wie is value-add? Wie begrijpt het spel? Wie is ballast?’
Ballast. Dat woord wilde ik eigenlijk niet gebruiken, juist omdat het zo goed paste.
Er zat een lijn van Rand naar zulke netwerken. De wereld werd niet verdeeld in rijk en arm alleen, maar in productief en parasitair, snel en traag, excellent en middelmatig, bouwer en remmer, insider en outsider. Dat is gevaarlijker dan ouderwets snobisme. Snobisme zegt: jij hoort niet bij onze stand. Deze nieuwe taal zegt: jij hoort niet bij de toekomst.
‘En Musk?’ vroeg ik. ‘Die blijft voor mij anders.’
Mijn vriend knikte.
‘Ja. Musk is geen gewone secessie-elite. Hij wil niet primair met de juiste mensen in een vallei wonen. Hij wil een ark bouwen.’
‘Voor de mensheid.’
‘In zijn eigen verhaal wel. Voor de soort. Dat is zijn uitzonderingspositie. Hij lijkt niet gedreven door luxe of elitegezelligheid. Hij wil niet naar de bitterballen, hij wil naar Mars.’
Daar moest ik om lachen. Musk als anti-bitterbal. De man die rijker was dan bijna iedereen, maar niet leek te weten hoe je rijk moest genieten. Geen heer van stand, geen dynastieke rust, geen discreet salonbestaan. Eerder een rusteloze ingenieur-koning die zijn kapitaal voortdurend omzet in fabrieken, raketten, satellieten, auto’s, chips, data, AI en gedoe.
‘Maar Mars kan ook een vallei worden,’ zei mijn vriend.
Ik keek op.
‘Daar ben ik bang voor.’
‘Niet omdat hij dat zo bedoelt misschien. Maar elke ark stelt de vraag wie mee mag. Zelfs als de missie universeel begint, wordt de uitvoering selectief. Technisch, financieel, lichamelijk, politiek. Wie is geschikt? Wie betaalt? Wie beslist? Wie blijft achter?’
Daar zat de tragiek van de missiegedrevene. Hij kan oprecht zeggen dat hij de mensheid wil redden. Maar de mensheid verschijnt in zijn project zelden als de rommelige verzameling mensen die nu eenmaal bestaat. Zij verschijnt als soort, als beschaving, als toekomst, als abstractie. En abstracte mensheid kan gevaarlijk makkelijk botsen met concrete mensen.
‘Disney bouwde een park voor de massa,’ zei ik. ‘Maar binnen zijn script.’
‘Musk bouwt een ark voor de soort,’ zei mijn vriend. ‘Maar met selectie aan de poort.’
‘En Thiel bouwt tafels voor de elite.’
‘Waar wordt besproken hoe de poorten eruit gaan zien.’
Dat was misschien te fraai. Te symmetrisch. Maar soms helpt symmetrie om een gedachte eerst te zien, voordat je haar later weer ingewikkelder maakt.
Ik probeerde de hele beweging samen te vatten.
Eerst was er de rover die nam en vertrok.
Toen de stationaire bandiet die bleef en belastte.
Toen de industrieel die arbeid organiseerde.
Toen het concern dat ketens beheerste.
Toen het platform dat toegang regelde.
Toen de fluïde bandiet die wel gebruikte maar niet gebonden wilde zijn.
En nu de secessie-elite die zich afvraagt of zij nog wel met de rest in één wereld wil leven.
‘Je vergeet één ding,’ zei mijn vriend.
‘Wat?’
‘Insluiting.’
Ik begreep hem niet meteen.
‘Je praat over uitsluiting alsof het alleen gaat om mensen buiten de poort houden. Maar de keerzijde is insluiting van de eigen kring. Elites sluiten niet alleen uit; ze sluiten zichzelf in. In conferenties, netwerken, scholen, compounds, fondsen, appgroepen, raden, valleien, clubs, private steden, ruimteprojecten. Ze maken een binnenwereld.’
Dat was waar. Uitsluiting klinkt alsof het vooral de ander treft. Maar voor de elite is het minstens zo belangrijk wie binnen is. De juiste mensen bij elkaar. De juiste taal. De juiste angsten. De juiste toekomstbeelden. De juiste minachting misschien ook. Een elite wordt niet alleen machtig door bezit, maar door onderlinge herkenning.
Bilderberg, Dialog, businessclubs, Davos, besloten diners, investeerdersnetwerken, families, universiteiten, internaten, founders retreats, denktanks — allemaal zijn het vormen van binnenwereld. Niet identiek, niet allemaal sinister, soms zelfs nuttig. Maar steeds is de vraag: wie spreekt met wie buiten het zicht van wie?
‘Dus optimale uitsluiting is eigenlijk tweeledig,’ zei ik. ‘De rest buiten houden en de eigen kring dichter maken.’
‘Ja,’ zei mijn vriend. ‘Uitsluiting en elite-insluiting horen bij elkaar.’
Dat maakte het verhaal sterker. De vallei van Rand is niet alleen een vlucht uit de samenleving, maar ook een fantasie van zuivere gemeenschap. Eindelijk onder mensen die je waard zijn. Geen middelmaat, geen bureaucraten, geen vragers, geen herverdelers, geen remmers. Alleen makers, bouwers, denkers, kapitaal, techniek, talent.
Het paradijs van de monomaan is een wereld zonder lastige anderen.
Ik voelde hoe onaangenaam die zin was. Want ergens klinkt hij verleidelijk. Iedereen kent het verlangen naar een wereld zonder gezeur, zonder traagheid, zonder mensen die niets begrijpen, zonder formulieren, zonder domme regels, zonder vergaderingen waarin het middelmatige zichzelf beschermt. Ook kleine makers voelen dat. Ook kunstenaars. Ook ondernemers. Ook ik, als ik eerlijk was.
Misschien is dat waarom de Rand-fantasie gevaarlijk is: zij vergroot een herkenbare irritatie tot een politieke moraal.
‘Iedereen heeft een kleine Galt’s Gulch in zijn hoofd,’ zei ik.
Mijn vriend glimlachte.
‘Kijk, nu begin je jezelf verdacht te maken. Dat is meestal goed.’
Het was waar. Ik wilde niet doen alsof de uitsluitingsdrift alleen bij miljardairs bestaat. Elke groep heeft de neiging zichzelf te zuiveren. Elke professional moppert op leken. Elke kunstenaar op publiek. Elke ondernemer op ambtenaren. Elke intellectueel op de massa. Elke elite op de middelmaat. Het verschil is dat sommige mensen de middelen krijgen om hun irritatie in infrastructuur om te zetten.
Dat is misschien de kern.
Een gewone monomaan kan wegdromen van een wereld zonder remmers.
Een rijke monomaan kan haar bouwen.
Een netwerk van rijke monomanen kan haar institutionaliseren.
Daarmee werd deel vier groter dan alleen economie. Het ging over een verschuivende morele verbeelding. Zolang we elkaar nodig hebben, moeten we elkaar verdragen. Zodra we denken dat we elkaar niet meer nodig hebben, wordt verdragen een keuze. En wie macht genoeg heeft, kiest dan misschien voor selectie.
‘Maar de ironie,’ zei mijn vriend, ‘is dat niemand werkelijk loskomt.’
‘Omdat de elite de massa toch nodig blijft?’
‘Ja. Maar ook dieper. De vallei heeft wegen nodig, energie, kennis, personeel, beveiliging, onderhoud, grondstoffen, software, lichamen, zorg, afvalverwerking. De ark heeft aarde nodig. De cloud heeft mijnen nodig. De private stad heeft een buitenwereld nodig. De elite kan zich afscheiden in haar verbeelding, maar materieel blijft zij parasiteren op een wereld die zij niet meer wil erkennen.’
Dat woord, parasiteren, draaide de Rand-taal om. Bij Rand parasiteert de massa op de makers. In deze analyse parasiteert de exit-elite op de gemeenschappelijke wereld die zij ideologisch veracht.
‘Dus de fluïde bandiet is niet echt vrij,’ zei ik.
‘Nee. Hij is alleen beter in het ontkennen van afhankelijkheid.’
Daarmee kwamen we misschien tot een bruikbare conclusie. De beweging van extractie naar uitsluiting is geen volledige breuk. Het is een fantasie die bovenop extractie komt. De elite blijft waarde onttrekken, maar wil zich tegelijk moreel, fiscaal, ruimtelijk en politiek losmaken van de mensen en instituties die die waarde mogelijk maken.
Niet pure exit, maar asymmetrische afhankelijkheid:
wel gebruikmaken van de wereld,
niet aangesproken willen worden door de wereld.
‘Dat is de kern,’ zei mijn vriend. ‘Niet dat ze zonder ons kunnen. Maar dat ze willen leven alsof ze zonder ons kunnen, terwijl de rekening elders ligt.’
Ik liet die zin even bezinken. Hij was scherp genoeg om te bewaren en voorzichtig genoeg om niet in complotdenken te vallen.
Buiten was het drukker geworden. Mensen fietsten langs, iemand droeg een doos, een kind trok aan een jas, een bezorger keek op zijn telefoon. De gewone wereld, met haar traagheid, rommel, afhankelijkheden en wederzijdse hinder. Geen vallei, geen ark, geen salon, geen platformdashboard. Gewoon mensen die elkaar in de weg lopen en daardoor misschien nog iets van samenleving vormen.
Mijn vriend stond op.
‘Het laatste deel,’ zei hij, ‘moet over wereldbouwers gaan.’
‘Disney, Musk en Thiel.’
‘Ja. Niet omdat ze hetzelfde zijn, maar omdat ze drie antwoorden geven op dezelfde vraag.’
‘Welke vraag?’
Hij trok zijn jas aan.
‘Wie krijgt toegang tot de wereld die de monomaan bouwt?’
Ik wist dat hij gelijk had. Disney bouwde een droomwereld voor de massa, maar onder strakke regie. Musk bouwde een technische ark voor de soort, maar met onvermijdelijke selectie. Thiel bouwde tafels, netwerken en spelregels voor de geselecteerden.
Drie wereldbouwers. Drie poorten.
En achter elke poort dezelfde ongemakkelijke vraag: wie blijft buiten?
Deel 5 — Wereldbouwers: Disney, Musk en Thiel
‘Drie wereldbouwers,’ zei mijn vriend.
Hij zei het alsof hij een titel voor zich zag. Misschien deed hij dat ook. Mijn vriend had de neiging om zijn gedachten al van tussenkopjes te voorzien voordat ze goed en wel bestonden. Dat maakte hem soms vermoeiend, maar ook bruikbaar. Zonder zulke mensen blijven ideeën vaak mist.
‘Disney, Musk en Thiel,’ zei ik.
‘Ja.’
‘Dat is nogal een vreemd gezelschap.’
‘Daarom werkt het.’
Ik zag ze inderdaad niet snel aan één tafel. Disney met zijn glimlachende muizen, Musk met zijn raketten en nachtelijke berichten, Thiel met zijn koele monopolietaal en besloten netwerken. Toch was er iets wat hen verbond. Niet karakter, niet moraal, niet product, zelfs niet stijl. Het was de ambitie om niet alleen iets te maken, maar een omgeving te scheppen waarin anderen gaan bewegen.
De kunstenaar maakt een werk.
De ondernemer maakt een bedrijf.
De wereldbouwer maakt een binnenwereld.
‘En elke binnenwereld heeft een poort,’ zei mijn vriend.
Daar was de vraag van het vorige gesprek weer: wie krijgt toegang tot de wereld die de monomaan bouwt?
Ik wilde beginnen met Disney, omdat hij het minst bedreigend leek. Misschien is dat al veelzeggend. Disney komt binnen als nostalgie. Als jeugd. Als kleur, muziek, sprookje, eend, muis, kasteel, vakantie, veiligheid. De kritiek op Disney voelt al snel zuur, alsof je iemand verwijt dat hij kinderen blij maakt. En toch is Disney voor dit verhaal belangrijk, juist omdat hij de zachte vorm van wereldbouw laat zien.
‘Disney begon als maker,’ zei ik. ‘Tekeningen, animatie, verhalen.’
‘En eindigde als regisseur van ervaring,’ zei mijn vriend.
Dat was precies het verschil. Een film kijk je. Een park betreed je. In Disneyland wordt het verhaal ruimtelijk. De straat, de gevels, de muziek, de wachtrij, het personeel, het afval dat niet zichtbaar mag zijn, de glimlach, de routing, de kleuren, de nostalgie, de belofte dat de wereld even vriendelijk en overzichtelijk is. Disney bouwde geen gewone attracties. Hij bouwde een gecontroleerde versie van werkelijkheid.
Een wereld waarin toeval decor wordt.
Waar gevaar spannend mag zijn, maar nooit werkelijk onbeheersbaar.
Waar arbeid glimlacht.
Waar consumptie betovering heet.
Waar de massa welkom is, zolang zij zich gedraagt binnen het script.
‘Dat klinkt cynischer dan ik het bedoel,’ zei ik.
‘Misschien,’ zei mijn vriend. ‘Maar niet onjuist. Disney begreep dat moderne mensen niet alleen producten willen. Ze willen tijdelijk in een verhaal wonen.’
Dat maakte Disney groter dan de kunstenaar en groter dan de ondernemer. Hij was een maker die toegang verkocht tot zijn verbeelding. Hij democratiseerde de droom, zou je kunnen zeggen. In tegenstelling tot Rand bouwde hij geen vallei voor de uitverkorenen, maar een park voor gezinnen, kinderen, toeristen, consumenten. De massa mocht naar binnen. Sterker nog, de massa was nodig. Zonder de massa geen Disney.
Maar die openheid had voorwaarden. De bezoeker kreeg geen vrijheid, maar geregisseerde vrijheid. Je mocht kiezen tussen routes die al ontworpen waren. Je mocht verdwalen in een wereld waarin verdwalen was meegerekend. Je mocht je kinderlijke kant hervinden in een omgeving waar elke kinderlijke impuls commercieel begeleid werd.
‘Disney is de vriendelijke poortwachter,’ zei mijn vriend.
‘Dat vind ik te hard.’
‘Dan zeg je: Disney is de poortwachter die betovering aanbiedt in ruil voor overgave.’
Ik moest lachen.
‘Dat is nog harder.’
‘Maar mooier.’
Misschien was dat zo. Disney liet zien dat controle niet altijd met dwang hoeft te komen. Controle kan ook verschijnen als comfort. Als veiligheid. Als schone straten. Als perfecte muziek op het juiste moment. Als de geruststelling dat iemand anders de chaos uit de wereld heeft gehaald voordat jij binnenkomt.
En misschien verlangde bijna iedereen daar weleens naar. Dat maakte het zo ingewikkeld. De wereld is rommelig, vuil, tegenstrijdig, tragisch, onrechtvaardig en onvoorspelbaar. Wie wil er niet af en toe een straat waar alles klopt? Wie wil er niet een wereld waarin het personeel vriendelijk is, de kinderen lachen, het kwaad een kostuum draagt en aan het eind van de dag het licht op het kasteel valt?
‘Disney bewijst,’ zei mijn vriend, ‘dat wereldbouw niet alleen onderdrukking is. Het is ook verleiding.’
Dat was een goed begin.
Musk was anders. Bij hem geen gecontroleerde nostalgie, maar gecontroleerde toekomst. Geen kasteel, maar raket. Geen Main Street, maar Mars. Geen droom waarin de wereld weer overzichtelijk wordt, maar een droom waarin de aarde niet langer het enige podium is waarop de menselijke soort kan falen.
‘Musk blijft voor mij de uitzondering,’ zei ik.
‘Dat zeg je steeds.’
‘Omdat het zo voelt. Hij lijkt niet primair door luxe of elites te worden gedreven. Hij is geen man van het jacht, de countryclub, het rustige landgoed, de discrete erfopvolging. Hij lijkt niet eens bijzonder goed in genieten. Alsof geld pas echt wordt wanneer het in machines verandert.’
Mijn vriend knikte.
‘Bij Musk is geld brandstof. Geen eindpunt.’
Dat was de reden dat ik hem nooit helemaal kon wegzetten als gewone miljardair. Natuurlijk was er ijdelheid. Natuurlijk was er macht. Natuurlijk was er grilligheid, hardheid, narcisme misschien, politiek gedoe, arbeidsconflict, chaos. Maar onder dat alles lag iets dat ouder leek dan zijn fortuin: het jeugdige sciencefictionbeeld dat de mensheid moet overleven door de aarde niet als enige woonplaats te houden.
Dat maakte hem verwant aan de uitvinder, maar ook aan de profeet. De ingenieur als eschatoloog. De ondernemer als arkbouwer.
‘Disney bouwde een wereld om tijdelijk aan de werkelijkheid te ontsnappen,’ zei ik. ‘Musk bouwt een uitweg voor het geval de werkelijkheid bezwijkt.’
‘Mooi,’ zei mijn vriend. ‘Maar vergeet de poort niet.’
Daar zat het ongemak. Een ark klinkt universeel wanneer je over “de mensheid” spreekt. Maar elke ark heeft een capaciteit. Elke raket heeft stoelen, gewichtslimieten, selectiecriteria, training, kosten, risico’s, prioriteiten. De mensheid is een groot woord; passagierslijsten zijn concreet.
‘Misschien bedoelt hij het oprecht universeel,’ zei ik.
‘Dat kan,’ zei mijn vriend. ‘Maar oprechtheid schaft selectie niet af.’
Dat was de harde waarheid van elke missie. Hoe groter het doel, hoe makkelijker de afzonderlijke mens abstract wordt. De soort moet overleven. De beschaving moet versnellen. De energietransitie moet slagen. AI moet beheersbaar worden. De bureaucratie moet uit de weg. De planeet moet gered, verlaten of verdubbeld worden.
En ergens onderweg staat een werknemer die te lang werkt, een regulator die wordt weggezet als remmer, een journalist die vijand wordt, een overheid die tegelijk klant, obstakel en instrument is, een burger die niet gevraagd heeft om afhankelijk te worden van één private infrastructuur.
‘De missiegedrevene,’ zei mijn vriend, ‘is gevaarlijk omdat hij werkelijk in zijn missie kan geloven.’
‘Dat klinkt alsof cynici veiliger zijn.’
‘Niet veiliger. Alleen doorzichtiger. De statuszoeker wil applaus. De extracteur wil geld. De dynast wil behoud. De speler wil controle over het bord. Maar de missiegedrevene kan zichzelf wijsmaken dat wie hem tegenhoudt, de toekomst tegenhoudt.’
Ik dacht aan het woord dat eerder was gevallen: missie-corruptie. Niet de corruptie van enveloppen, vriendjes en facturen. Maar de diepere corruptie waarin het doel zo groot wordt dat gewone remmen klein lijken. Democratie als vertraging. Arbeidsrecht als hinder. Transparantie als naïviteit. Kritiek als sabotage. Twijfel als lafheid.
Bij Musk bleef de vraag daarom niet of hij een goede of slechte ondernemer was. Die vraag was te klein. De vraag was eerder: welke publieke afhankelijkheden ontstaan wanneer een private missie infrastructuur wordt?
Auto’s, laadnetwerken, satellieten, raketten, communicatie, AI, data, transport, oorlog, energie. Het zijn geen gewone producten meer zodra staten, burgers, legers, bedrijven en bewegingen ervan afhankelijk worden. Dan wordt de missie een omgeving. En wie de omgeving bouwt, krijgt macht over mensen die nooit voor de missie hebben gekozen.
‘Musk bouwt geen elitevallei,’ zei ik. ‘Maar zijn ark kan wel een poort krijgen.’
‘Elke ark heeft een poort,’ zei mijn vriend.
Daarmee kwamen we bij Thiel. Bij hem voelde de poort niet als onbedoeld gevolg, maar als onderwerp zelf.
Disney bouwt de poort als onderdeel van de betovering.
Musk bouwt de poort als technisch gevolg van de ark.
Thiel lijkt vooral geïnteresseerd in de vraag wie de poorten ontwerpt.
‘Hij is de minst zichtbare wereldbouwer,’ zei ik.
‘Omdat hij minder aan objecten bouwt,’ zei mijn vriend. ‘Hij bouwt posities.’
Dat was de goede ingang. Thiel is niet aantrekkelijk op de manier waarop Disney of Musk aantrekkelijk kunnen zijn. Hij biedt geen kinderlijke droom en geen raket naar de toekomst. Hij biedt een blik achter de coulissen: hoe bouw je een monopolie, hoe ontsnap je aan concurrentie, hoe vind je de kleine markt die je volledig kunt beheersen, hoe investeer je vroeg in mensen en ideeën, hoe verbind je kapitaal met politiek, hoe creëer je besloten ruimtes waar toekomstige machthebbers elkaar herkennen?
‘De speler-architect,’ zei ik.
‘Ja. Niet alleen spelen. De tafels bouwen waaraan gespeeld wordt.’
Dat maakte Dialog zo interessant als symptoom. Niet omdat je er een geheim wereldbestuur van moet maken. Dat is te makkelijk, en meestal ook te lui. Maar besloten netwerken doen iets wat democratische instituties moeilijk kunnen zien: ze cureren nabijheid. Ze bepalen wie met wie spreekt voordat het officieel wordt. Ze vormen vertrouwen, taal, rangorde, toegang. Ze testen ideeën in een kring waar niet iedereen mag binnenkomen.
Bilderberg was daarin een oudere vorm: de salon van de Atlantische orde. Diplomaten, politici, industriëlen, bankiers, denkers, journalisten, bestuurders. Niet de plek waar Hollywood en McDonald’s letterlijk werden uitgetekend, maar wel een ruimte waarin de westerse elite elkaar kon verstaan binnen dezelfde anti-communistische, Atlantische, kapitalistische bedding.
Dialog lijkt anders. Minder wederopbouw, meer toekomstselectie. Minder oude diplomatie, meer techkapitaal. Minder verzorgingsstaatcompromis, meer exitfantasie. Minder consensus van de bestaande orde, meer curatie van de volgende.
‘Dat is de beweging van Bilderberg naar Dialog,’ zei mijn vriend. ‘Van consensus naar selectie.’
‘Of van bestuurders naar builders.’
‘Pas op met dat woord,’ zei hij. ‘Builders is de taal waarmee de nieuwe elite zichzelf graag vrijpleit.’
Hij had gelijk. Builder klinkt beter dan machthebber. Het suggereert productiviteit, moed, toekomst, anti-bureaucratische energie. Wie builder zegt, hoort bijna automatisch de tegenstelling met remmers, praters, parasieten, ambtenaren, critici, journalisten, herverdelers en middelmaat. En daar sluipt Rand naar binnen.
Rand gaf de monomaan een moraal. Niet alleen: ik wil bouwen. Maar: wie mij tegenhoudt, leeft van mij. Niet alleen: ik ben gedreven. Maar: mijn gedrevenheid bewijst mijn superioriteit. Niet alleen: ik wil vrij zijn. Maar: solidariteit is diefstal door de onproductieven.
‘Dat is waarom Rand belangrijk blijft,’ zei ik. ‘Niet als literatuur, maar als morele vergunning.’
‘Voor exit,’ zei mijn vriend.
‘En voor minachting.’
Hij knikte. Want achter de droom van de vallei ligt een oordeel over wie buiten blijft. De buitenwereld is niet gewoon anders; zij is parasitair, traag, middelmatig, ondankbaar, bureaucratisch. De elite trekt zich niet terug uit verdriet, maar uit superioriteitsgevoel. Dat is een ander soort afzondering dan de kunstenaar die stilte zoekt om te kunnen werken. Het is afzondering als politieke filosofie.
Thiel paste daar beter dan Musk. Musk wil weg omdat hij denkt dat de soort een tweede kans nodig heeft. Thiel lijkt eerder geïnteresseerd in exit uit democratische traagheid, concurrentie, belasting, regulering, middelmatigheid. Hij wil niet alleen een product bouwen, maar een configuratie waarin de juiste mensen sneller, vrijer en machtiger kunnen handelen dan de rest.
‘Dat is ook een drive,’ zei mijn vriend. ‘Curatie.’
Ik proefde het woord. Curatie klinkt cultureel, bijna beschaafd. Een curator selecteert kunst, ordent betekenis, brengt werken in verband. Maar in de wereld van elite-netwerken betekent curatie iets harders: wie wordt uitgenodigd, wie niet, wie geldt als interessant, wie als ballast, wie krijgt toegang tot kapitaal, ideeën, politici, media, technologie?
‘Curatie is zachte uitsluiting,’ zei ik.
‘En zachte insluiting,’ zei hij. ‘De eigen kring wordt dichter.’
Dat bracht ons terug bij het vorige deel. Optimale uitsluiting is niet alleen muren bouwen. Het is ook lijsten maken. Scores. Rangordes. Invitation-only. Talentprogramma’s. Fellowships. Founders dinners. Private chats. Donor-netwerken. Conferenties. Denkclubs. Familievermogens. Scholen. Het zijn allemaal poorten zonder prikkeldraad.
Bij Disney koopt de massa een kaartje.
Bij Musk moet de massa hopen dat de ark werkelijk voor haar bedoeld is.
Bij Thiel weet de massa meestal niet eens dat de kamer bestaat.
‘Dat is scherp,’ zei mijn vriend.
‘Te scherp?’
‘Nee. Maar zet er een rem op. Niet elke besloten bijeenkomst is sinister. Mensen mogen praten. Ideeën hebben stilte nodig. Niet alles hoeft livestream-democratie te zijn.’
Dat was belangrijk. Ik wilde niet eindigen in een wereldbeeld waarin elke gesloten deur bewijs van kwaad was. Vriendschap is besloten. Een redactievergadering is besloten. Een klaslokaal is besloten. Een familiegesprek is besloten. Zelfs denken heeft beslotenheid nodig.
Het probleem begint niet bij beslotenheid op zichzelf, maar bij beslotenheid plus schaal, geld, staatsinvloed, infrastructuurmacht en afwezigheid van tegenmacht. Wanneer de gesprekken achter de deur de voorwaarden bepalen waaronder miljoenen anderen straks leven, werken, betalen, spreken of worden uitgesloten, is de deur niet meer privé. Zij is politiek, ook als er geen bordje politiek op hangt.
‘Dus wereldbouwers verschillen in hun publiek,’ zei ik.
‘En in hun moraal van toegang,’ zei mijn vriend.
Ik probeerde ze naast elkaar te zetten.
Disney zegt: kom binnen, laat je betoveren, gedraag je binnen mijn script.
Musk zegt: de toekomst staat op het spel, help mee of ga uit de weg.
Thiel zegt: de toekomst wordt ontworpen door wie de spelregels begrijpt; toegang is voor de geselecteerden.
Dat was natuurlijk te schematisch. Disney was ook zakenman, Musk ook speler, Thiel ook bouwer. Mensen zijn rommelig; typologieën zijn netjes. Maar als eerste kaart werkte het.
‘En alle drie komen ze voort uit monomanie,’ zei mijn vriend. ‘Dat is wat je verhaal bij elkaar houdt.’
De monomaan kan een schilder zijn die de wereld in kleur wil dwingen.
Een uitvinder die een probleem niet kan laten rusten.
Een ondernemer die een bedrijf bouwt.
Een statuszoeker die erkend wil worden.
Een speler die het bord wil beheersen.
Een missiegedrevene die de soort wil redden.
Een curator die de juiste mensen bij elkaar wil brengen en de rest buiten beeld houdt.
Maar zodra de monomaan wereldbouwer wordt, verandert de vraag. Dan gaat het niet meer alleen om zijn geluk, zijn offer, zijn ego of zijn genialiteit. Dan gaat het om de toegang van anderen.
‘Misschien is dat de hoofdzin,’ zei ik. ‘De maker vraagt wat er nog niet bestaat. De ondernemer vraagt hoe het kan groeien. De wereldbouwer vraagt, bewust of onbewust, wie er binnen mag.’
‘En wie buiten blijft,’ zei mijn vriend.
Altijd die laatste draai.
Ik dacht aan Disney’s park, waar iedereen welkom lijkt maar alleen binnen de choreografie. Aan Musk’s ark, die de mensheid zegt te willen redden maar onvermijdelijk selecteert. Aan Thiel’s tafels, waar de toekomst misschien besproken wordt door mensen die zichzelf productiever, sneller, slimmer of moediger achten dan de instituties die hen nog moeten controleren.
En ik dacht aan de gewone wereld buiten die poorten. De mensen met kinderen, rekeningen, banen, ziektes, kleine verlangens, irritaties, stemformulieren, huurcontracten, boodschappenlijstjes. De massa, zouden de wereldbouwers misschien zeggen, al is dat woord al een vorm van afstand. Maar die massa is geen decor. Zij is de samenleving zelf. Rommelig, traag, vaak onwetend, soms kleinzielig, soms wijs, soms wreed, soms opmerkelijk fatsoenlijk.
Een wereld zonder massa is geen beschaving. Het is een selectie.
‘Daar zit ook het verschil tussen geluk en project,’ zei mijn vriend ineens.
‘Hoe bedoel je?’
‘De monomaan offert geluk op aan project. Maar als hij macht krijgt, kan hij ook het geluk van anderen ondergeschikt maken aan zijn project. Disney doet dat zacht, via betovering en consumptie. Musk doet dat heroïsch, via urgentie en missie. Thiel doet dat koel, via selectie en spelregels.’
‘Dat is nogal samenvattend.’
‘We zijn aan het eind,’ zei hij. ‘Aan het eind mag dat.’
Misschien had hij gelijk. Toch wilde ik voorkomen dat het stuk als aanklacht tegen grote makers eindigde. Want mijn fascinatie was niet verdwenen. Integendeel. Ik bleef gefascineerd door mensen die iets maken wat er eerst niet was. Zonder hen zou de wereld armer zijn. Minder schoonheid, minder techniek, minder durf, minder alternatieve werelden. De meeste vooruitgang begint waarschijnlijk als afwijking. Iemand die het bestaande niet verdraagt. Iemand die te koppig is om normaal te leven.
Maar misschien is bewondering pas volwassen wanneer zij ook de prijs ziet.
De kunstenaar kan schoonheid brengen en tegelijk zijn omgeving beschadigen.
De uitvinder kan bevrijden en tegelijk nieuwe afhankelijkheden scheppen.
De ondernemer kan welvaart bouwen en tegelijk waarde onttrekken.
De speler kan scherp zien en tegelijk mensen tot pionnen maken.
De missiegedrevene kan versnellen en tegelijk remmen vernietigen die er niet voor niets waren.
De wereldbouwer kan een universum openen en tegelijk bepalen wie er waardig is om binnen te komen.
‘Dus waar eindigt het?’ vroeg mijn vriend.
Ik wist niet of hij het aan mij vroeg of aan zichzelf.
‘Misschien bij tegenmacht,’ zei ik.
Hij keek tevreden, maar zei niets.
Tegenmacht was geen romantisch woord. Het had niets van Disney’s betovering, niets van Musks raket, niets van Thiels geheime tafel. Het klonk traag, saai, procedureel. Vakbonden, parlementen, belastingen, journalistiek, rechtspraak, onderwijs, publieke infrastructuur, medezeggenschap, openbaarheid, mededinging, burgerrechten. Geen woorden waar monomanen snel warm van worden. Maar misschien zijn het precies de woorden die voorkomen dat hun werelden te groot worden voor de rest van ons.
Want monomanen zijn nodig. Maar ze moeten niet alleen gelaten worden met de poorten.
‘Dat is goed,’ zei mijn vriend.
‘Wat?’
‘Die zin.’
Ik herhaalde hem in mijn hoofd.
Monomanen zijn nodig.
Maar ze moeten niet alleen gelaten worden met de poorten.
Buiten was het donker geworden. In de ramen zag ik onze eigen weerspiegeling, twee mannen aan een tafel, tevreden en ontevreden tegelijk. We hadden niets opgelost. Disney bleef betoverend. Musk bleef fascinerend. Thiel bleef verontrustend. De ondernemer bleef dubbelzinnig. De kunstenaar bleef familie van de bouwer. De roofridder had zijn paard ingeruild voor fiscalisten, platforms en netwerken. En ergens in de verte lag nog altijd die vallei van Rand, waar de besten onder elkaar zouden wonen en de rest mocht uitzoeken wat zij zonder hen waard was.
Maar misschien was er wel iets helderder geworden.
De geschiedenis van ondernemerschap is niet alleen de geschiedenis van winst, innovatie of moed. Het is ook de geschiedenis van mensen die hun innerlijke noodzaak buiten zichzelf plaatsen en daarmee de ruimte van anderen veranderen. Eerst een werk. Dan een bedrijf. Dan een systeem. Dan een poort.
En bij elke poort hoort dezelfde vraag.
Wie mag naar binnen?
Wie moet betalen?
Wie moet zich aanpassen?
Wie wordt gebruikt?
Wie wordt overbodig verklaard?
Wie bewaakt de uitgang?
Mijn vriend trok zijn jas aan. Bij de deur draaide hij zich nog even om.
‘Je begon met bewondering voor grote ego’s,’ zei hij. ‘Dat mag. Maar eindig niet bij hun ego. Eindig bij de wereld die zij achterlaten.’
Daarmee was hij weg.
Ik bleef nog even zitten. Niet omdat ik nog een conclusie had, maar omdat sommige gedachten eerst moeten afkoelen voordat je ze kunt opschrijven. Disney’s park, Musks ark, Thiels tafel. Drie beelden, drie poorten, drie vormen van monomanie die groter waren geworden dan de man zelf.
Misschien was dat uiteindelijk het hele verhaal.
De monomaan wil niet gewoon leven in de wereld zoals hij is.
Hij maakt een andere wereld.
De vraag voor de rest van ons is of wij daarin bezoekers, gebruikers, werknemers, gelovigen, data, passagiers, pionnen of burgers mogen zijn.